// u leest...

webbouwstukken

DE CRISIS? VAST IN EEN FILE VRAAGTEKENS…

9 augustus 2007

Op 9 augustus 2007 kwam de recente financiële crisis definitief op gang. De zwaarste financiële crisis sinds de tweede wereldoorlog. Op die dag schortte de Franse grootbank BNP Paribas drie van haar investeringsfondsen op. Het probleem was de financiering van deze fondsen. Op de inter-bankenmarkt was eerder al het wantrouwen gegroeid. Door de barsten in de vastgoedsector in de V.S. zwollen de geruchten aan over massale verliezen bij financiële instellingen en hun investeringsvehikels. Niemand wist nog waar die verliezen zich situeerden en hoe groot ze waren.
Het tweede significante voorval van 9 augustus was de reactie van de Europese Centrale Bank (ECB). 95 miljard euro aan nieuwe liquiditeiten werden in één beweging in het financiële systeem gespoten. Enkele dagen later nog eens ruim 100 miljard. Ook de Amerikaanse Federal Reserve System of de Federal Reserve (informeel The Fed) en andere centrale banken schoten in actie. Alle hens aan dek bij de centrale banken om een complete bevriezing van het financiële en bancaire systeem te voorkomen.
De centrale banken slaagden erin de implosie van het financiële systeem te voorkomen, maar hun interventiepolitiek produceerde steeds meer perverse effecten.
Ondertussen kwam de structurele houdbaarheid van de monetaire unie in Europa ook nadrukkelijk in het gedrang.

Sommigen vroegen zich af: “Hoelang kan het sociale netwerk de druk aan van de neoliberale kapitalistische vloedgolf? Hoe kunnen wij een aanvaardbaar compromis vinden tussen het huidige kapitalistische systeem en de sociale verworvenheden?”
Een werklozenuitkering is nodig om werkloze mensen te laten overleven. Een werklozenuitkering is geen gift voortkomend uit de goedgeefsheid van de kapitalisten. Er is misbruik, ook door arbeiders, zeker. In elk systeem, ook een sociaal systeem, komt dat voor.

Volgens anderen zijn zorgtoeslagen niet nodig. Als je die nodig hebt, dan heb je volgens de neoliberale filosofie gefaald, dan heb je niet genoeg je best gedaan. “Moet de Overheid dan voor alles zorgen en onvoldoende inzet belonen?” vragen zij zich af. Dat is de teneur die via de media veld wint. Welke gevolgen zou deze aanpak voor veel mensen hebben indien deze regelingen zouden worden afgeschaft? Miljoenen mensen, ook in ons land, zouden niet meer kunnen leven.

Het kapitalistisch systeem

Het kapitalisme heeft al verschillende stadia van ontwikkeling gekend. Op een bepaalde trap van ontwikkeling, de noodzakelijke drang naar mondialisering, internationale arbeidsdeling, is de arbeidersbeweging een rem. De politieke tendens van afbouw van sociale verworvenheden – ook in ons land – was al bezig vóór de val van het communisme. Wat al eerder in embryonale vorm aanwezig was, is pas later in een stroomversnelling gekomen. Denk aan de politiek van Reagan en Thatcher in de V.S. en Groot-Brittannië.
De globalisering, waarin het kapitalistische systeem essentieel is, is een dialectisch proces dat heel vaak aan het oog onttrokken dreigt te worden. Mensen zijn geneigd, en dat is zeer logisch, in korte termijnen te denken.

Hoe is het gegaan met het bereiken van sociale rechten in landen waar geen overwinsten uit koloniën gemaakt konden worden? Werden door het neokolonialisme en nu door de kapitalistische mondialisering de onderontwikkelde landen niet uitgebuit? Heeft de verplaatsing van hele bedrijfstakken, ook de textielindustrie, naar zgn. lagelonenlanden of de mondialisering van de uitbuiting de sociale rechten voordeel gedaan?

Indien het streven naar vooruitgang van de lagelonenlanden tot doel heeft het welvaartsniveau van de hoogontwikkelde kapitalistische landen te benaderen, dan moeten wij vaststellen dat dit niveau door sociale afbraak en onvoldoende tegenstand steeds lager komt te liggen. Het kapitalistische systeem tast deze landen aan. Het kapitalisme verdraagt sociale elementen zolang zij het systeem niet wezenlijk aantasten.

Hoe dan ook: er is crisis, er is verwarring. Het wantrouwen in het huidige kapitalisme met zijn individualisme en bandeloze verrijking wijst zowel in de richting van de menselijke exponent van het systeem als naar het systeem zelf.
‘Gelukkig’ voor het systeem is het bezwarende feit dat mensen alleen maar aan zichzelf denken en vooral aan geldelijk voordeel.

Het kapitalistisch systeem herstelt zich

Tussen 2008-2009 kreeg het kapitalistische systeem in de V.S. een ernstige klap. Kort daarop begon de Eurocrisis.
Hoe proberen zowel de V.S. als Europa de crisis op te lossen? Door de ‘crisis van het kapitalisme’ om te zetten in een ‘crisis van de arbeid’. Het financieringskapitaal, de belangrijkste oorzaak van de crisis, herstelde zich en maakte gebruik van de politieke, sociale en ideologische omstandigheden, als gevolg van ‘de crisis’, om haar dominantie en exploitatie van de samenleving te consolideren.

Met andere woorden, de ‘crisis van het kapitaal’ is omgezet in een strategisch voordeel voor de bevordering van de meest fundamentele belangen van het kapitaal: het verder vergroten van de winsten, de consolidatie van de kapitalistische regelgeving, de grotere concentratie van eigendom, de verdieping van de ongelijkheid tussen kapitaal en arbeid en het ontstaan van enorme arbeidsreserves.

Zij die beweren dat vanaf 2007 het kapitalistisch wereldsysteem is ingestort, maken een foute analyse. Zij argumenteren met data over stagnatie en aanhoudende recessie in Noord-Amerika en de Eurozone. Ze komen met getallen over het bruto nationaal product die zweven tussen negatieve en nulgroei. Hun argumenten worden ondersteund door gegevens over werkloosheid, door het grote aantal mensen, dat uit hun huis is gezet door de banken, door de sterke stijging van de armoede en ellende door banenverlies, loonsverlagingen en de afschaffing of vermindering van de sociale diensten. Deze crisisargumenten worden ook geassocieerd met de grote toename van het aantal faillissementen van vooral kleine en middelgrote bedrijven en regionale banken. Zij zetten vraagtekens bij de rechtvaardigheid van het kapitalistisch systeem, de grote en groeiende ongelijkheid en de oneerlijke regels waarmee de banken misbruik maken van hun grootte om de schatkist te plunderen ten koste van sociale programma’s.
Terecht, maar het kapitalisme – als systeem – is niet ingestort.

Het probleem is dat een ‘crisis van de mensheid’ (meer specifiek van de loontrekkers en de kleine zelfstandigen) niet hetzelfde is als een crisis van het kapitalistisch systeem. In feite zijn de groeiende sociale tegenspoed, de dalende inkomsten en werkgelegenheid belangrijke factoren die bijdragen tot een snel en massaal herstel van de winstmarges van de meeste grootschalige bedrijven.

China en India hadden aanvankelijk geen last van een crisis. Zelfs tijdens de ergste jaren van de V.S.- en Eurocrisis groeiden de Aziatische reuzen gemiddeld ongeveer 8 procent. Terwijl Zuid-Europa zich wentelde in een diepe aanhoudende depressie, van 2008 tot de nabije toekomst, kwam de Duitse export, in 2011, tot een record van een biljoen euro.
Met andere woorden: ‘de crisis’ heeft geen negatieve invloed op sommige economieën, die in feite profiteren van hun marktdominantie en technofinanciële kracht over de meer afhankelijke debiteuren en teruglopende economieën. Door te spreken van een ‘wereldwijde crisis’ verduistert men de dominante en uitbuitende relaties die het herstel en de groei van de elite-economieën vergemakkelijken.

De ‘crisis’ komt tot uiting in specifieke regio’s, en zo ook de invloed op verschillende leeftijdssectoren van de van lonen en salarissen afhankelijke klassen. Als gevolg van de hogere werkloosheid onder de jeugd hebben de jongeren een grotere neiging tot directe actie ‘tegen het systeem’; terwijl oudere werknemers met een hoger niveau van werkgelegenheid (en werkloosheidsuitkeringen) een grotere neiging hebben te vertrouwen op de stembus.
Vandaag de dag nemen kapitalisten voortdurend hun toevlucht tot misbruik van werklozen om lonen en uitkeringen te verlagen en de exploitatie (zogenaamd ‘de productiviteit’) en de winstmarges te verhogen. In plaats van een indicatie te zijn van de ‘kapitalistische crisis’ hebben hoge werkloosheidscijfers, samen met andere factoren, gediend om de winstvoet en de inkomens te verhogen.

De bedrijfswinsten in de V.S. zijn hoger dan ooit sinds 1950. De liquide middelen van Amerikaanse bedrijven zijn nooit zo groot geweest, dankzij de versterkte uitbuiting van werknemers, onder andere door een loonsysteem waarbij nieuwe werknemers werken voor een fractie van wat oudere werknemers krijgen.
Een groot deel van deze winsten is het gevolg van de bevriezing van de onderfinanciering van de Amerikaanse pensioenfondsen, een hogere productiviteit met minder werknemers – met andere woorden intensievere uitbuiting – en het snoeien in het uurloon van nieuwe medewerkers met de helft.

Bovendien stijgt het aandeel van de Amerikaanse bedrijfswinsten in het buitenland, ten koste van de groei van het inkomen van werknemers. In 2011 groeide de Amerikaanse economie met 1,7 procent, maar het gemiddelde loon daalde met 2,7 procent. De winstmarges stegen van 6 tot 9 procent van het BNP in de afgelopen drie jaar. Met ongeveer een derde is het buitenlandse aandeel van deze winst meer dan verdubbeld sinds 2000. Als dit een ‘kapitalistische crisis’ is, wie heeft er dan de behoefte aan een kapitalistische opleving?

Een echte kapitalistische crisis zou leiden tot ondermijning van winstmarges, het brutoloon en de accumulatie van liquide middelen. Er zijn stijgende winsten, omdat de kapitalisten profiteren van intensievere uitbuiting, terwijl de massaconsumptie stagneert.
Zij die beweren dat er een ‘crisis’ is, verwarren duidelijk de mensontering van de arbeid, de verslechtering van de leef- en werkomstandigheden en zelfs de stagnatie van de economie, met een ‘crisis’ van het kapitaal. Zou de ‘crisis van de arbeid’ niet een belangrijke stimulans zijn voor het herstel van de kapitalistische winst?
Ongetwijfeld was er een moment van kapitalistische crisis (2008-2009), maar dankzij de ongekende massale overdracht van rijkdom van de staatskas naar de kapitalistische klasse (de banken bv.) herstelde het bedrijfsleven zich, terwijl de arbeiders en de rest van de economie in crisis bleven, failliet gingen en zonder werk kwamen.

De sleutel tot het ‘herstel’ van de bedrijfswinsten heeft weinig te maken met de conjunctuur en alles met de grootschalige overname en plundering van de VS-Staatskas door Wall Street. Tussen 2009 en 2012 namen honderden voormalige Wall Street executives, managers en beleggingsadviseurs alle belangrijke besluitvormende posities in het ministerie van Financiën over en werden biljoenen dollars gekanaliseerd in de richting van toonaangevende financiële en corporate schatkisten. Ze hielpen in financiële moeilijkheden verkerende bedrijven, zoals General Motors, met grote loonsverlagingen en ontslagen van duizenden werknemers.

De Staat moet de crisis oplossen

De nieuwe doctrine stelde dat het de eerste en principiële prioriteit van de Staat is om het financiële systeem terug te brengen naar winstgevendheid met alle kosten voor de maatschappij, de burgers, belastingbetalers en werknemers. Financiële kapitalisten hoefden niet langer hun activiteiten te rechtvaardigen in termen van een bijdrage aan de groei van de economie of ‘maatschappelijk nut’.

Vanwege de ‘overname’ door Wall Street van de strategische economische beleidsposities in de regering kunnen wij de paradox van de recordwinstmarges te midden van de economische stagnatie nu beter begrijpen. We kunnen begrijpen waarom de kapitalistische crisis, in ieder geval tijdelijk, vervangen is door een diepe crisis van de arbeid. Alleen de Amerikaanse beroepsbevolking is verzonken in een grotere werkloosheid, een dalende levensstandaard, wijdverbreide onzekerheid en diepe ontevredenheid.

De diepe crisis van 2008-2009 leidde tot een golf van vragen over het kapitalistisch systeem. ‘Hervorming, regulering en herverdeling’ waren het motto van de financiële columnisten. Maar de heersende economische en leidende klasse sloeg daar geen acht op. De arbeiders worden bovendien gecontroleerd door corrupte vakbondsleiders en hebben geen enkel politiek instrument.
Recordhoge kapitalistische winsten worden opgebouwd door het plunderen van de staatskas, het afnemen van pensioenen en de verlenging van het ‘werk tot je sterft’, terwijl de meeste gezinnen failliet gaan door exorbitante particuliere, zakelijke, medische en educatieve kosten.

Een Masterplan

Wordt de Eurocrisis op dezelfde wijzer aangepakt als in de V.S.?
De eurozone komt nog voor het einde van 2012 met een ‘masterplan’ om de economische en monetaire integratie in Europa te verdiepen. Berlijn bepaalt het tempo.
Welke zijn de belangrijkste bouwstenen van dit masterplan? Bovenaan de Europese agenda staan maatregelen om de verzwakte banksector grondig te hervormen. Op tafel ligt onder meer de oprichting van een centrale Europese bankentoezichthouder, de invoering van een Europees depositogarantiesysteem voor spaargeld en plannen om probleembanken sneller te ontmantelen.
Men zal ook bekijken in hoeverre de begrotingsdiscipline in Europa aangescherpt kan worden en of de uiteenlopende belastingregimes verder geharmoniseerd kunnen worden. Of het buitenlands en sociaal beleid in Europa onder het masterplan vallen is niet duidelijk.
De hamvraag is of het snel tot een echte Europese bankunie komt. In dat scenario zou het noodfonds ESM rechtstreeks noodsteun kunnen geven aan banken uit alle lidstaten – mogelijk ook aan de restholding Dexia – in ruil voor het afstaan van de controle en het toezicht aan een centrale Europese bankwaakhond.
Van wie hebben zij deze methode gekopieerd? Nogal duidelijk niet?

Ligt het financieel kapitalisme onder vuur?

Na het verdwijnen van de geplande economieën in Rusland, Oost-Europa en elders, werd algemeen gesteld dat het kapitalisme het enige mogelijke werkbare systeem was dat kon zorgen voor een aanhoudende groei en een betere levensstandaard voor iedereen.

Een economie, gevoed door een financieel systeem waarin het voor banken mogelijk is om tot 35 keer of meer de waarde van hun eigen bezittingen uit te lenen, mag dan wel voor ongebreidelde groei zorgen, toch frons ik daar minstens de wenkbrauwen voor.

Dat betekent echter niet dat ik het failliet van het kapitalistisch systeem als reëel beschouw. Hoe graag zouden wij hebben dat de ‘feiten’ een veroordeling zijn van het neoliberale kapitalisme en de ongebreidelde heerschappij van de markt. Ik moet echter toegeven dat ik niet altijd begrijp hoe de “nieuwe financiële instrumenten” echt in elkaar zitten.

Faalt het kapitalistisch systeem? Of falen wij met ons allen?

Sommige politici – rechts als links – en economen beweren dat een steeds groeiende productie en consumptie uiteindelijk tot een regulering van het systeem zelf zal leiden. Zij nemen geen maatregelen om de gevolgen dat het systeem op ons leefmilieu heeft te stoppen. Zij aanvaarden niet dat onze welvaart stagneert. In plaats van de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen veilig te stellen, vinden zij het ruim voldoende hen individueel te voorzien van voldoende middelen (geld, vermogen en intellect). Dat er ook een nieuwe maatschappijvorm nodig is, daar staan zij niet bij stil.

De winsten worden geprivatiseerd en de verliezen genationaliseerd, met name in de financiële sector. De banken hebben jaren grote winsten geboekt voor de aandeelhouders, maar verschillende banken moesten in deze aanslepende economische crisis met belastinggeld gered worden van het faillissement. De overheid was quasi verplicht de banken te redden, omdat ze te belangrijk zijn voor ons economisch systeem om failliet te laten gaan. De winsten die de banken in het verleden maakten, konden echter niet meer gerecupereerd worden, omdat ze al aan de aandeelhouders uitgekeerd of terug geïnvesteerd waren.

Moeten de banken genationaliseerd worden? Zij het tijdelijk? Ik weet het niet. Kijk hoe de banken het in België vergaan is. Dexia, waar de gemeenten de hoofdaandeelhouder waren, is wereldwijd één van de banken die met de grootste problemen opgescheept zitten. Dexia was volop rommelkredieten aan het kopen toen voor vele andere marktspelers al duidelijk werd dat je moest uitstappen. En ook de regulatoren, uit de overheid, hebben ernstig gefaald.

Dat neemt niet weg dat er een probleem is met het privatiseren van winsten en het nationaliseren van verliezen. Zou men geen systeem kunnen opzetten waarbij banken failliet kunnen gaan? Dat is toch een essentieel onderdeel van het kapitalisme: slecht beheerde bedrijven gaan er via een faillissement uit, zodat betere bedrijven hun plaats kunnen innemen. Dat onverbiddelijke mechanisme zorgt er in theorie voor dat de productiviteit (en dus onze welvaart) stijgt.

Leven wij nog altijd in een klassenmaatschappij?

De loontrekkers en de kleine zelfstandigen hebben het niet gemakkelijk en dat beseffen politici niet (meer). Ze staan wat betreft ideeën en materiële welstand ver van deze twee bevolkingsgroepen.
We leven inderdaad nog altijd in een klassenmaatschappij. Dat kan eenvoudig geïllustreerd worden met de levensverwachting: een ongeschoolde man leeft 7,5 jaar minder lang dan een hooggeschoolde man (en 18,5 minder gezonde levensjaren!).

Er zijn veel zaken die mislopen in onze kapitalistische wereld. In België hebben wij echter een goede gezondheidszorg, een goed onderwijssysteem en een sterk herverdelende overheid. Bovendien leven wij in Europa niet in een puur kapitalistisch systeem, maar in een gemengde economie, waarbij het overheidsbeslag in vele landen de 50% van het bruto binnenlands product benadert of overstijgt.
Veel wat fout loopt kan deels aan de overheid toegeschreven worden.

De fundamentele kritiek op het kapitalisme is echter de idee van concurrentie. Mensen worden in een kapitalistisch systeem tegen elkaar opgezet. De concurrentie tussen de bedrijven is niet dezelfde: bedrijven zijn een groep mensen die samenwerken.
Is er een alternatief?
Het kapitalisme is nog zo slecht niet: de wereld heeft nog nooit zoveel rijkdom gecreëerd als vandaag. En die rijkdom wordt sterk herverdeeld, althans in continentaal Europa. Toegegeven, er is nauwelijks herverdeling met de arme wereld buiten ons. Maar die arme landen hebben eerder een tekort aan kapitalisme, niet een teveel. Sinds China in de jaren ‘80 zijn handelsgrenzen op een gecontroleerde manier is beginnen openstellen, zijn letterlijk honderden miljoenen mensen uit de armoede geklommen.
China is natuurlijk geen puur kapitalistische economie, maar dat is onze economie, met een overheidsbeslag van meer dan 50%, evenmin.

Toont de economische crisis het failliet aan van “de vrije markt”?

Ik denk het niet.
Is de crisis het gevolg van uit de hand gelopen winstbejag en hebzucht, in combinatie met gebrekkig overheidstoezicht op de financiële markten?
Als de vrije markt het probleem is, is dan de oplossing de Staat? Politici zijn verwoed bezig de invloed van de Staat op de economie uit te breiden. Ze voeren gigantische ‘stimuleringspakketten’ door om de crisis te boven te komen. Ze voeren de overheidsbudgetten op en bereiden nieuwe regelgeving voor om een nieuwe crisis te voorkomen. Moet de vrije markt worden ingetoomd?

Domineert de Staat al lang niet de economie? Denk aan de bergen wetten en regels, en de torenhoge overheidsbegrotingen, begrotingstekorten en staatsschulden. Dat is niet alleen zo in Europa, maar ook in de Verenigde Staten.
De belangrijkste manier waarop de Staat de economie beïnvloedt, is via haar controle over het geldwezen, over de monetaire en financiële systemen. Het zijn de overheden, die via hun centrale banken, bepalen hoeveel geld er in de economie circuleert, wat “wettelijke betaalmiddelen” zijn en hoe hoog de belangrijkste rentestanden zijn. Ons hele financiële systeem – inclusief al onze spaar- en pensioengelden, alles wat we denken te bezitten – draait op ongedekt papiergeld dat door de Staat wordt uitgegeven.

Is het niet zo dat in een papieren-geldsysteem een vastberaden regering altijd kan zorgen voor hogere uitgaven en dus positieve inflatie?
Met een “vrije markt” heeft dit niets te maken, met een door de Staat geleide economie des te meer. De centrale banken “sturen” de economie, in samenwerking met de Overheid. Ze “stimuleren” de vraag als de economie tekenen van inzakking vertoont, door krediet in het systeem te pompen of de rente te verlagen of de overheidsuitgaven te vergroten. Ze “remmen af” als er “oververhitting” dreigt, door de rente te verhogen, of de geldcirculatie te verkleinen.
Het doel is om de economie te “stabiliseren”, waarbij onder “stabilisatie” wordt verstaan een permanente, door centrale banken in stand gehouden, inflatie. De vrije markt zelf is “instabiel”. Indien je de vrije markt op zijn beloop laat, is er een risico voor hoge toppen (hausses) en diepe dalen (recessies).

Zo werkt het systeem: de banken hebben een rekening lopen bij de centrale bank waar hun “reserves” op staan, en ze mogen tien keer zoveel krediet verlenen als ze aan reserves hebben (dit heet een reservefactor van 10%). De centrale bank kan de reserves van de banken vergroten door van hen staatsobligaties (of andere bezittingen) te kopen, die de centrale bank betaalt met zelf gecreëerd geld.
Deze crisis is dus niet het failliet van de vrije markt, maar van het stabilisatie-interventionisme. Dit betekent: de geldzwendel waarmee overheden, centrale banken en particuliere banken zich samen kunnen vinden onder de mom van ‘monetair beleid’.
Geen van hen heeft de crisis zien aankomen, of weten te voorkomen, maar allen gaan ze gewoon door met hun analyses en foute voorspellingen en aloude remedies. Ze blijven onverdroten meer kunstmatig krediet in de markt pompen om een crisis te verhelpen die vooraf ging door overmatige kredietverlening. Het gevolg is dat ze – door het opstapelen van enorme schuldenbergen en het creëren van meer en meer geld – bezig zijn om onze financiële toekomst te ruïneren.

Is er een alternatief?

Ja. Crises worden niet veroorzaakt door de vrije markt, maar door overheidsingrijpen in de markt, en met name door manipulaties van het financiële systeem. De conjunctuurcycli (hausses en recessies) in ons systeem worden veroorzaakt omdat de monetaire autoriteiten afwisselend kunstmatig krediet in de economie pompen en die geldstroom vervolgens weer afknijpen. Hoe meer geld er in de economie wordt gepompt, hoe hoger de klim, en hoe dieper de val die onvermijdelijk volgt.

Kunstmatige verruiming van de kredietvoorziening (die onder meer mogelijk wordt gemaakt doordat de banken van de overheid een veelvoud aan geld mogen uitlenen dan ze binnenkrijgen) en kunstmatige verlaging van de rente door de centrale bank leidt tot een hausse, die echter alleen maar in stand blijft zolang er geld in de markt wordt gepompt. Als dat proces stopt, vervalt de economie in een crisis.

Ik ben geen voorstander van een laissez-faire liberalisme. Ik ben ook geen voorstander van staats- of planeconomie. Ik blijf geloven in een gestuurde economie met handelingsbekwaam toezicht.
Monetaire expansie, verlaging van de rente, verhoging van de belastingen, vergroting van de overheidsuitgaven en verhoging van het begrotingstekort kunnen zorgen voor een tijdelijke opleving van de economie.

Het idee dat de crisis een gevolg is van “de vrije markt”, is niet correct.
Wordt welvaart dan veroorzaakt door consumptie? Hangt de groei van welvaart af van de mate waarin mensen meer produceren dan ze consumeren, met andere woorden, van besparingen? De productie moet op een gegeven moment tegen haar grenzen oplopen, omdat de vraag naar goederen altijd beperkt zal zijn. Als bedrijven hun producten niet meer kwijt kunnen, slaat de groei om in recessie en werkloosheid.
Degene die zijn inkomen spaart is evenzeer een consument dan degene die het uitgeeft: hij consumeert het alleen op een andere manier.

Ik heb mijn twijfels. Bestaat er geen kloof tussen de hoeveelheid goederen (en diensten) die een gemeenschap wenst te consumeren en het productievermogen van die gemeenschap? Een kloof die bovendien groter wordt naarmate de gemeenschap welvarender wordt? Naarmate mensen een hoger inkomen hebben, sparen ze relatief meer dan mensen met een lager inkomen. Door deze toenemende spaarzin stokt de economische groei. Hoe groter onze inkomsten, des te groter is de kloof tussen onze inkomsten en onze consumptie.
Stort de menselijke neiging tot spaarzaamheid ons in een crisis?
De kapitalisten zien het rendement op hun investeringen teruglopen en reageren door hun investeringen terug te schroeven. Bovendien zijn vele particuliere investeerders kortzichtig en irrationeel en geen goede hoeders van het kapitaal.

Het kapitaal in handen van de Staat (de Overheid)?

Is het een oplossing om het kapitaal in handen te geven van de Staat, die dan bepaalt wat en hoeveel er dient te worden geïnvesteerd? Is het niet competent overheidsingrijpen in de economie niet vaak oorzaak van recessie en werkloosheid? Dit lijkt op de ‘euthanasie van de rentenier’ en de ‘euthanasie van de macht van de kapitalist’.

Is er een reden om aan te nemen dat dit economische proces, als het aan de krachten van de vrije markt wordt overgelaten, in het honderd loopt? Ondernemers (kapitalisten) moeten voortdurend inschattingen maken over de behoeften die er bestaan in de markt en over de middelen die beschikbaar zijn om die behoeften te vervullen. Zij kunnen dat fout inschatten en failliet gaan of hun activiteiten inkrimpen.

Het belangrijkste hulpmiddel dat ondernemers hebben bij hun economische beslissingen, zijn marktprijzen. Prijzen vormen in een vrije markt de belangrijkste indicatoren van de beschikbaarheid van productiemiddelen en de behoeften van mensen. Investeringsbeslissingen hangen daarbij nauw samen met de prijs van kapitaal, dat wil zeggen, de rente. Hoe meer kapitaal er is gespaard, hoe lager de rente zal zijn. Een lage rente betekent dat er veel middelen beschikbaar zijn die niet zijn geconsumeerd en die daardoor kunnen worden gebruikt voor investeringen in productie. Bij een hoge rente geldt het omgekeerde.
De situatie verandert echter drastisch wanneer de overheid zich ermee gaat bemoeien door (al dan niet via de centrale bank) geld uit het niets te creëren en in de economie te pompen of, wat op hetzelfde neerkomt, een renteverlaging af te dwingen. Wat er dan gebeurt, is dat bedrijven (en consumenten) massaal op het verkeerde been worden gezet: ze denken dat er meer kapitaal beschikbaar is (er is inderdaad ook meer geld beschikbaar, maar dat is niet hetzelfde), dan er in werkelijkheid is, en gaan teveel investeren (of, in het geval van consumenten, uitgeven).

Dat is één theorie. Hoe werkt dit conjunctuurproces nu precies? De effecten van een monetaire expansie hangen af van waar het nieuw gecreëerde geld terechtkomt in de economie. Wanneer ondernemers (kapitalisten) tegen een laag tarief geld kunnen lenen, of subsidies krijgen die de Staat verkrijgt door geld uit het niets te creëren, dan zal het gevolg zijn dat zij hun activiteiten zullen uitbreiden. Een win-win-win situatie! De vraag is: wie of wat kan hier eigenlijk op tegen zijn? De economie wordt immers gestimuleerd.

Er zit echter een keerzijde. Het probleem is dat de lage rente of de subsidies niets veranderen aan de hoeveelheid beschikbare productiemiddelen in de economie. Een les uit dit verhaal is niet alleen dat de verruiming van het krediet toch niet leidde tot netto economische groei, maar ook dat deze verruiming leidde tot scheefgroei in de economie: schaarse productiemiddelen werden ingezet om iets te maken waar geen (of relatief te weinig) behoefte aan is. Er wordt dus welvaart vernietigd. Het evenwicht tussen vraag en aanbod moet worden hersteld.

Als er “nieuw geld” in de economie wordt gepompt, gaat dit meestal via de banken, en is dat in principe beschikbaar voor “iedereen”. Het is mogelijk dat de nieuwe geldstromen via de banken naar de aandelenmarkten vloeien. Laten we even aannemen dat het “nieuwe geld” ter beschikking komt van “het bedrijfsleven in het algemeen”, in de vorm van een forse toename van leningen. Met andere woorden, de financiële autoriteiten voeren een mild monetair beleid, er worden geldmiddelen gecreëerd, de rente wordt kunstmatig verlaagd, banken hebben veel krediet tot hun beschikking, bedrijven kunnen makkelijk aan geld komen. Wat is hiervan het effect? Het geld dat de economie in gaat, komt echter nooit bij alle bedrijven tegelijk terecht. Sommige bedrijven profiteren eerst – wellicht gewoon omdat ze er snel bij zijn of omdat ze profiteren van subsidies of goede connecties. Het ligt voor de hand dat deze bedrijven nieuwe activiteiten gaan ondernemen, daar krijgen ze immers de middelen voor.

Opnieuw geldt de vraag: wat is hier mis mee? De nieuwe productieactiviteiten zijn immers echt, de salarissen die werknemers krijgen zijn ook echt, we lijken dus wel degelijk rijker te worden. Maar als wij er vanuit gaan dat arbeid, kapitaal en grondstoffen min of meer volledig werden benut in de uitgangssituatie, dan is het gevolg van de kunstmatige kredietexpansie dat andere bedrijven die niet vooraan in de rij stonden bij de bank of de subsidiepotten, merken dat hun productiekosten stijgen, omdat de vraag naar productiemiddelen (inclusief arbeid) is gestegen. Zij ondervinden dus een nadeel.

Ook in deze situatie geldt namelijk dat de verruiming van de geldmiddelen niets heeft veranderd aan de schaarste van de productiemiddelen. Nemen wij als voorbeeld de windmolenindustrie. Het “nieuw geld” dat naar de windmolenindustrie gaat, wordt gebruikt om windmolens op zee te bouwen. Dit leidt tot werkgelegenheid, zeker, en tot productie van energie. Maar het gevolg is wel dat voor de olie- en gasproductie de kosten van arbeid en grondstoffen stijgen.
Als de markt zijn werk had kunnen doen, zonder dat er kunstmatig krediet in de economie was gepompt, was er dus niet minder geproduceerd, maar waren de beschikbare middelen op een andere manier ingezet. Indien wij aannemen dat de vrije markt efficiënt werkt, dan betekent dit dat het kunstmatige krediet leidt tot welvaartsvermindering, omdat de beschikbare schaarse middelen inefficiënt worden aangewend.

In de praktijk zal een deel van het nieuwe geld echter ook altijd zijn weg vinden naar de consument, al was het maar omdat de lonen van de werknemers in de bloeiende sectoren zullen stijgen. Consumenten kunnen bovendien ook gebruik maken van de extra kredietmogelijkheden en de overheid kan er voor zorgen dat nieuw gecreëerd geld rechtstreeks zijn weg vindt naar de burger, bv. door de ambtenarensalarissen of de uitkeringen te verhogen en dit te financieren met “nieuw geld”.

Ook nu geldt echter weer dat het nieuwe geld niet bij iedereen tegelijk of in dezelfde mate terecht zal komen. Degenen die als eerste profiteren van het nieuwe geld – omdat ze werken in sectoren die vooraan staan bij de kredietverlening of omdat ze geld ontvangen van de Staat – gaan erop vooruit; degenen die achterin de rij staan, zullen erop achteruit gaan.

In theorie is het mogelijk dat iedereen in de economie tegelijkertijd een zelfde hoeveelheid extra geld ontvangt. Dit zou echter geen enkel nut hebben. We hebben dan veel meer geld, maar in de reële economie is niets veranderd. Het enige gevolg zou een gigantische inflatie zijn.
Worden die hardwerkende mensen er welvarender van? Dat hangt ervan af. Zij werken hard, de nietsnutten consumeren.

We hebben gezien hoe een hausse kan ontstaan door kunstmatig gecreëerd geld. Hoe gaat dit in crisistijd? Het probleem waar de financiële autoriteiten en banken mee worden geconfronteerd, is dat ze niet geld in de economie kunnen blijven pompen. Als ze dat doen, ontstaat er hyperinflatie. Dan wordt het financiële systeem uiteindelijk geruïneerd. Vroeg of laat moeten ze dus stoppen met kredietexpansie. De rente zal moeten worden verhoogd, de geldhoeveelheid ingekrompen, om, zoals dat heet, de “oververhitting” van de economie tegen te gaan. Met andere woorden: door ervoor te zorgen dat de prijs van het kapitaal weer de werkelijke schaarste ervan weerspiegelt. In deze nieuwe situatie, waarin het krediet wordt ingekrompen en de rente omhoog gaat, blijken veel projecten niet meer rendabel. Consumenten hebben teveel geleend en uitgegeven. Wat volgt is een abrupte omslag in de economie: we belanden in een negatieve spiraal.

Nieuw geld kan ook op een andere manier de economie in worden ingejaagd: banken kunnen hun overvloedige geld massaal in dubieuze leningen steken (en die vervolgens ook nog eens herverpakken en doorverkopen aan argeloze beleggers). Hoe dan ook, het kunstmatig gecreëerd geld kan nooit een alternatief zijn voor werkelijke besparingen. Vroeg of laat botst de illusie met de realiteit en is de crisis een feit.

Wat moeten we doen om een einde te maken aan de crisis?

Zeker geen geld in de markt pompen, de rente verlagen, de overheidsuitgaven opvoeren. Het zijn de recepten die in de huidige crisis door gevestigde economen werden geadviseerd en die door beleidsmakers en politici werden opgevolgd. Zonder gunstig resultaat.
Mijn vraag is: “Mag ook een crisis de economie niet kunstmatig worden gestimuleerd?” Neen. Omdat de vraaguitval in feite een oorzaak van de crisis is, terwijl dit in werkelijkheid een gevolg is, een symptoom van de crisis. Een stimuleringsbeleid is dan ook een vorm van symptoombestrijding.

De vraag is natuurlijk: waar komt die vraaguitval vandaan? In werkelijkheid worden crises nooit vooraf gegaan door vraaguitval. Ook aan de huidige crisis ging geen vraaguitval vooraf – de vraag zakte pas in nadat de crisis was losgebarsten. De oorzaak van de crisis is het monetaire expansiebeleid van de Staat – en de crisis kan dan ook uiteindelijk maar “duurzaam” worden bestreden door dat beleid te veranderen.
Dit neemt natuurlijk niet weg dat het heel goed mogelijk is om de crisis tijdelijk te bezweren met stimuleringsmaatregelen. We pompen geld in de economie, bedrijven kunnen weer investeren, arbeiders kunnen aan het werk – de problemen lijken verholpen. Maar dat is tijdelijk.

Als er in deze fase opnieuw kunstmatig krediet in de economie wordt gepompt, leidt dit tot een tijdelijke opleving van de economie. Maar door de overheid gedrukt papieren geld is niet hetzelfde als kapitaal. Het is “lucht”, waar je uiteindelijk niets mee kunt. Je kunt er niet mee produceren. Wat er gebeurt bij nieuwe geldinjecties, is dat er een nieuwe ronde start van onevenwichtigheden in de economie. Er ontstaat nog meer scheefgroei. Er ontstaat opnieuw inflatie.
Kun je een economie niet laten groeien door consumptie? Geld drukken en aan mensen geven die niets nuttigs doen is een vorm van consumptie, geen productie. Je kunt geen welvaart creëren door consumptie te bevorderen.

Wat onze economen en beleidsmakers (en veel burgers en bedrijven) niet onder ogen willen zien is dat de crisis het proces is waarbij scheefgroei (verkeerde en overmatige investeringen en overconsumptie) wordt gecorrigeerd. De economie moet weer in balans worden gebracht, dat wil zeggen, de inzet van het beschikbare kapitaal, arbeid en grondstoffen moet weer in overeenstemming worden gebracht met de werkelijke behoeften en mogelijkheden van personen en bedrijven.

De crisis heeft tot gevolg dat consumenten die massaal op krediet hebben gekocht – meer hebben geconsumeerd dan geproduceerd – hun consumptie moeten aanpassen. Dat is nodig: mensen kunnen niet doorgaan met teveel consumeren, dat wil zeggen, meer consumeren dan ze produceren.
Bedrijven die foute investeringen hebben gepleegd, teveel hooi op hun vork hebben genomen, in onrendabele activiteiten zijn gestapt, zullen de tering naar de nering moeten zetten en weer proberen te produceren wat de markt vraagt tegen prijzen die de markt wil betalen.
Deze periode van aanpassing gaat onvermijdelijk gepaard met werkloosheid. Ondernemers hebben tijd nodig om hun activiteiten en productiemiddelen opnieuw te organiseren, en om weer kapitaal op te bouwen. Consumenten hebben tijd nodig om hun uitgaven in balans te brengen met hun inkomsten, om hun vermogens weer op te bouwen – jawel, om te sparen.

“Is sparen nodig om de economie weer gezond te maken?”

De oorzaak van de crisis is niet een tekort aan “vraag”, maar een tekort aan kapitaal. Bedrijven moeten hun kapitaal weer aanvullen voordat ze kunnen investeren en dat kan alleen als zij sparen. Maar de consumenten?

Of moeten wij de huidige crisis bestrijden door zoveel mogelijk geld uit te geven?
Sommigen beweren dat welvaart wordt verkregen door productie en niet door consumptie. Het doel van productie is ongetwijfeld consumptie, maar consumptie is alleen mogelijk indien er eerst middelen zijn geproduceerd. Dit lijkt voor de hand liggend. Uiteraard betekent welvaart het vermogen om te consumeren, en kun je zeggen dat hoe meer je consumeert, hoe welvarender je bent. Dat neemt niet weg dat je van consumeren niet rijker wordt, maar armer. Je kunt alleen blijven consumeren als je blijft produceren.

Geld is niet meer dan een ruilmiddel. Meer geld in een economie pompen, leidt niet tot meer productie of meer welvaart. Voor sommigen is de enige manier om de productiecapaciteit te vergroten consumptie uit te stellen – door sommige middelen niet te consumeren, maar te sparen.
Sparen is de basis van kapitaalsvorming. Met kapitaal kunnen investeringen worden bekostigd in nieuwe productieprocessen, waarmee een hogere productie en dus een hogere welvaart kan worden bereikt. Naarmate er in een economie meer wordt gespaard, zijn er meer middelen beschikbaar om kapitaalgoederen te produceren (goederen waarmee consumentenproducten worden gemaakt).

Moeten wij hier echter geen fundamenteel onderscheid maken tussen sparen door ondernemers (kapitalisten) en sparen door de consument?

Kijken wij eens in eigen boezem. De Belgen sparen het hoogste bedrag ooit gespaard. Uit schrik voor de crisis. Maar daardoor maken zij die tegelijk erger. Het spaargedrag dat misschien rationeel is voor de gezinnen die schrik hebben dat ze hun baan zullen verliezen of dat de eurozone uit elkaar zal vallen, vormt tegelijk een groot deel van het economisch probleem. Geld dat gespaard wordt, wordt uiteraard niet uitgegeven. Meer sparen betekent dus minder consumeren en investeren. Bedrijven gaan daardoor minder produceren, stellen investeringen uit en hebben ook minder personeel nodig.

Kan de overheid dan niets doen? Weinig. Het kan zinvol zijn om investeringen in rendabele publieke activiteiten naar voren te halen. Dat kan iets helpen, niet veel. En er zijn andere manieren om werkelijke groei te bevorderen dan geld in de economie pompen, bv. het overheidsbudget terugschroeven en belastingen verlagen, bureaucratie en regeldruk verminderen. Verder zal de crisis moeten uitwoeden, voordat de economie weer kan worden opgebouwd, op gezonde fundamenten.

Deflatie is nodig om de zieke economie op de been te krijgen. Lagere lonen dragen bij aan de werkgelegenheid en lagere prijzen (van grondstoffen, materialen, huizen) drukken de kosten en helpen burgers en bedrijven bij het noodzakelijke aanpassingsproces. Het idee dat (permanente) inflatie “goed” is, is waanzin. Voor sommigen is het goed, ja, voor anderen niet. Voor sommigen is het goed als de huizenprijzen stijgen – voor anderen niet. Voor werknemers is het goed als de lonen stijgen, voor werkgevers hoeft dat niet zo te zijn. Voor werklozen ook niet. Lagere prijzen zijn gunstig voor al die mensen die werkloos raken en minder inkomsten hebben, mensen die van een pensioen moeten leven, mensen die hebben gespaard en weinig schulden hebben gemaakt, werkgevers die hun mensen liever niet ontslaan, instappers op de woningmarkt. Waarom moeten deze mensen boeten voor het onverantwoordelijke gedrag van centrale en andere bankiers die de markt hebben overvoerd met ongedekt papieren geld en mensen en bedrijven die zich zwaar in de schulden hebben gestoken?
Het is verbijsterend dat wij toestaan dat de centrale banken de waarde van ons geld uithollen door een beleid van permanente inflatie.

Uiteraard zou het niet goed zijn als prijzen en lonen “eeuwig” door blijven dalen. Maar dat doen ze niet. Ergens is er altijd een punt waarop vraag en aanbod elkaar weer vinden. De Overheid moet de markt haar werk laten doen, de monetaire expansie aan banden leggen, de bureaucratie beperken, de belastingen verlagen, de staatsschuld afbouwen, begrotingstekorten vermijden.

De 20ste eeuw is niet de eeuw van de vrije markt, zoals de economen en politici, die decennia lang chaos hebben aangericht met hun interventionistische monetaire en financiële beleid, ons nu proberen wijs te maken. Vanaf de overgang naar een systeem van volledig ongedekt papieren geld tot de huidige tijd, waarin de Fed en de andere centrale banken met ons geld toveren, zogenaamd om de economie “in evenwicht” te houden, maar in werkelijkheid om de Staat vrije toegang te verschaffen tot de financiële middelen die bijeen worden gebracht door productieve burgers, is de macht van de Staat over de economie alleen maar toegenomen. Het resultaat zien we vandaag om ons heen. Deze crisis is niet het failliet van de vrije markt, maar het failliet van overheidsinterventie.

Aan het interventionistische beleid van kredietexpansie moet een einde komen. We moeten stoppen met geld te injecteren en de echte crisisoorzaken ongemoeid te laten.

Hoe lossen wij de crisis op?

Over de oorzaken van de schuldencrisis in de eurozone zijn wij het min of meer eens. Over hoe we uit die rotzooi moeten geraken, lopen de meningen fel uiteen.
Dat de monetaire unie er gekomen is zonder een echte politieke unie in Europa, breekt ons nu zuur op.
Is de besparingsdrift een oplossing? Besparingen hebben nog nooit geleid tot economisch herstel. Moeten wij fors investeren in infrastructuur in crisistijd en besparen als het goed gaat? Dreigt anders niet dat een generatie van langdurig werklozen verloren gaat?

De Grieken zitten op het bot. Indien zij de eurozone verlaten, zou dat wellicht ook een stormloop ontketenen tegen de Spaanse en Italiaanse banken waardoor een domino-effect ontstaat? Men moet de inwoners van die twee landen hoop bieden en dat kan enkel als de ECB (en Duitsland) de obsessie over prijsstabiliteit laten varen en enkele jaren leren leven met een inflatie van 3% tot 4%.
Een dreigende ondergang van de euro zou het politieke centrum in Europa destabiliseren.

Kiezen wij misschien beter voor een kleinere eurozone?
De eurozone zal overleven, maar niet noodzakelijk met alle landen. Voor Griekenland en Portugal is het wellicht beter om te vertrekken en hun munt te devalueren: die landen dreigen nog tien jaar in een depressie vast te zitten. Voor Spanje en Italië is een redding misschien nog mogelijk. Ook Frankrijk zou best eens wat meer aan de concurrentiekracht sleutelen.

Ligt de oorzaak van de crisis dieper? Is de westerse groei van de voorbije jaren niet het gevolg van kredietgedreven consumptie en excessieve overheidsuitgaven? Europa zal de tering naar de nering moeten zetten, de financiële sector moet worden uitgekuist.
De begrotingstekorten moeten naar beneden, maar vooral het verschil in concurrentiekracht tussen het noorden van de eurozone en de zuidelijke deficitlanden, is een probleem.
Moeten wij naar een “interne devaluatie” in Zuid-Europa, waarbij de euro behouden blijft, maar de prijzen en lonen in de schuldenlanden fors naar omlaag gaan? Het koopkrachtverlies zou beperkt blijven, omdat ook de prijzen dalen, terwijl die landen meteen competitiever zouden worden en de lagere rente en andere voordelen van de muntunie behouden zouden blijven.

Er loopt iets fout in het Europees beleid. De last voor het verkleinen van de onevenwichten ligt bij de deficitlanden die dan harde voorwaarden opgelegd krijgen van de surpluslanden. Die spreidstand is onhoudbaar.

Ligt de oplossing in een soepeler monetair beleid en minder saneren? Europa moet de deficitlanden om een implosie van hun banken en economie op te vangen via de noodfondsen. De andere Europese banken moeten worden geherkapitaliseerd om de schok van nog meer verlies en staatsschulden op te vangen.

Thierry Deleu

Bronnen
Jos De Greef (redacteur economie bij de nieuwsdienst), analyse.deredactie.be
Johan Van Overtveldt (hoofdredacteur Knack en Trends)
Rinze Visser, Mooie woorden, www.ncpn.nl/manifest
James Petras, De globale crises van het kapitalisme, www.ncpn.nl/manifest
Failliet van het interventionalisme, www.charlieville.nl
Mariena Dewulf, We sparen te veel, Het Nieuwsblad van 09.08.2012

Be the first to like.

Share

Discussie

No comments voor “DE CRISIS? VAST IN EEN FILE VRAAGTEKENS…”

Post a comment