// u leest...

webbouwstukken

Overpeinzingen van Derek

Ik had het van de week nog over de Loge en Opus Dei, over het feit dat extremen elkaar ei zo na raken. Les extrêmes se touchent. Mijn gespreksgenoot keek even verwonderd op en dacht aan een nieuwe grap of misschien zomaar een woordspeling. Maar ik zei dat ik het meende, dat het ernst was, dat ik niet loog.
Ik besef dat je zoiets gemakkelijk kunt veralgemenen en iets dat veralgemeend wordt, is niet altijd de waarheid. Of de uitzonderingen maken vaker de regel.
Ooit gingen Kerk en Vrijmetselarij broederlijk samen. Priesters en dominees waren maçon. Tot de Kerk bang werd van het succes van de VM en haar snelgroeiende macht en de VM in de ban sloeg. Dat was het begin van de scheiding tussen beide: de VM werd antiklerikaal en de geestelijkheid durfde zich niet verzetten tegen de banvloek van de Paus. Er kwam een (kleine) wereld van verschil en een (grote) wereld van gelijkenis. De rituelen werden enigszins aangepast, maar God bleef de Opperbouwmeester van het Heelal. De meeste werkplaatsen van de VM laten de Bijbel liggen op het altaar, anderen leggen daar het charter van Anderson en nog anderen een wit boek. Beetje schijnheiligheid mag?
Eerlijkheidshalve moet ik erbij voegen dat niet alle maçons atheïsten zijn of godloochenaars.
Bij dat alles maakt de gewone mens algauw de bedenking dat er leven is tussen beide, tussen Loge en Opus Dei of tussen atheïsten en godsgetuigen.

Opus Dei is een personele prelatuur van de Katholieke Kerk die gesticht werd op 2 oktober 1928 door de in 2002 heilig verklaarde Jozefmaria Escrivá. “Opus Dei” staat voor “Gods Werk”.
Doel van Opus Dei is de mensen ervan overtuigen dat zij tot heiligheid geroepen zijn. Het spoort hen aan in overeenstemming met het geloof te leven en bij te dragen tot de evangelisatie van de maatschappij. Deze boodschap heeft een centrale plaats in de leer van het Tweede Vaticaans Concilie. In deze geest leven betekent dat de leden de menselijke en christelijke deugden in praktijk brengen op het werk, in het gezin en in het leven van alledag.
De stichter van Opus Dei, Jozefmaria Escrivá, vatte de doelstelling van Opus Dei als volgt samen: Het enige doel van Opus Dei is eraan bij te dragen dat er mannen en vrouwen van alle rassen en sociale klassen zijn die, te midden van de aardse gebeurtenissen en bezigheden, God en hun medemensen in en door hun dagelijkse arbeid willen beminnen en dienen. Opus Dei is in 1982 door paus Johannes Paulus II verheven tot personele prelatuur van de Katholieke Kerk.
De leden van Opus Dei komen vooral uit de intellectuele katholieke bovenlaag van de maatschappij en zijn vaak invloedrijke politici, uitgevers, auteurs, bankiers en zakenmensen, leden van de hoge clerus (onder wie twee kardinalen en meerdere bisschoppen) en al of niet gehuwde leken met een academische titel.
Ongeveer 89.000 personen maken deel uit van de prelatuur, rond 2.000 van hen zijn priester. Van het totaal aantal leden bestaat ongeveer de helft uit vrouwen.

De toetreding tot Opus Dei wordt gezien als een bovennatuurlijke roeping: een persoonlijke oproep van God om het leven in zijn dienst te stellen en de universele oproep tot heiligheid in het dagelijkse werk en het sociale leven bekend te maken.
Toetreding tot Opus Dei, of opname in de prelatuur, gebeurt door middel van een vrijwillige verklaring van contractuele aard. De gelovigen van de prelatuur doen geen geloften en veranderen niet van levensstaat wanneer zij tot de prelatuur toetreden. Iedere leek blijft een gewone gelovige van het bisdom waartoe hij of zij behoort. De aansluiting bij Opus Dei is een vrije keuze en men is even vrij de prelatuur weer te verlaten.
De samenstelling van Opus Dei is als volgt: een prelaat, de eigen priesters (het presbyterium) en de leken, mannen zowel als vrouwen. Er zijn geen verschillende categorieën van leden. De leden van Opus Dei bestaan vooral uit surnumerairs. De overige leden – geassocieerden en numerairs – zijn mannen en vrouwen die zich om apostolische redenen aan het celibaat hebben gebonden.
Het grootste deel van de leden behoort tot de surnumerairs. Zij maakt 70% uit van de leden. Deze leden zijn werkende gehuwde mannen en vrouwen. Surnumerairs besteden een deel van hun tijd aan gebed, aangevuld met regelmatige deelname aan vormingsbijeenkomsten (kring) en retraites. Surnumerairs zijn in het algemeen personen voor wie de heiliging van de plichten in het gezin voorop staat. Zij dragen ook financieel bij aan de werking van Opus Dei.
De geassocieerden leven celibatair, wonen bij hun familie of waar het vanwege hun beroep beter uitkomt.
De numeraire leden leven celibatair en wonen doorgaans in huizen van Opus Dei die door celibataire leken worden bestuurd. Zij zijn volledig beschikbaar voor apostolische activiteiten en voor de vorming van de andere leden van de prelatuur. Deze groep leden heeft een beroepsleven en besteden een groot deel van hun inkomen aan de organisatie. Sommige vrouwelijke numerairs, numerair-auxiliair genoemd, wijden zich beroepsmatig vooral aan de huishoudelijke taken in de centra van de prelatuur.
Priesters staan onder de jurisdictie van de Prelaat van Opus Dei. De categorie is slechts een minderheid (2 %). De priesters van de prelatuur zijn afkomstig uit de lekengelovigen van Opus Dei. Het zijn numerairs en geassocieerden die bereid zijn priester te worden en die – wanneer zij al jaren lid zijn en een priesteropleiding hebben gevolgd – door de prelaat zijn uitgenodigd om gewijd te worden. Hun priesterlijk werk staat vooral in dienst van de gelovigen van de prelatuur en van hun apostolische activiteiten.
Medewerkers van Opus Dei zijn mannen en vrouwen die, zonder lid te zijn, behulpzaam zijn bij educatieve en maatschappelijke activiteiten, culturele en sociale projecten enz. en daarbij samenwerken met de leden. De medewerkers kunnen op de eerste plaats aan deze initiatieven bijdragen door hun werk of financiële steun. Onder hen bevinden zich katholieken en niet-katholieke christenen, maar ook gelovigen van andere religies.
Enkele leden: Paola Binetti, Italiaanse senator, psychiater en professor, Luis Carrero Blanco, (1903-1973), oud-eerste minister Spanje[, Jesus Estanislao, minister van Financiën van de Filipijnen van 1990 tot 1992, Antonio Fontan, (1923-2010), oud-voorzitter Senaat Spanje (1977-79), Ruth Kelly, (1968), lid Labourpartij, voormalig minister van Onderwijs en minister van Transport, Groot-Brittannië, Antonio Guterres, (1949), Portugees, oud-minister-president Portugal, Joaquin Lavin, (1953), Chileens politicus en econoom, regeringslid tijdens het bewind van Augusto Pinochet, Jacques Leirens, Belgische arts en priester, Stefaan Seminckx, Belgische KNO-arts, priester en woordvoerder Opus Dei België,
Robert Hanssen, (1944) Amerikaans FBI-agent en veroordeeld als spion, voor de Sovjet-Unie en Rusland.

Recent bleek alweer dat de familie De Clerck, net als de familie Van Rompuy en Pieter De Crem, heel dicht bij Opus Dei staat, en hoe zij moeten luisteren naar de instructies die hem vanwege de prelatuur (al dan niet via een interventie uit Rome) toekomen.
Blijkbaar is dit ook zo voor bepaalde lieden binnen de magistratuur, die zich blijkbaar enkel tegenover het bisschoppelijk paleis in Mechelen of tegenover het Koninklijk Paleis in Laken dienen te verantwoorden, zonder de minste achting voor de sociale rust en de openbare orde.

Opus Dei telt 51 % vrouwen. Dit komt ook tot uitdrukking in het feit dat er meer vrouwen dan mannen in bestuursfuncties binnen de prelatuur actief zijn. Mannen en vrouwen hebben dezelfde verantwoordelijkheden in leidinggevende en vormende taken.

Het leven van de leden verandert niet drastisch als zij tot Opus Dei toetreden. Zij behouden hun baan en hun sociale omgeving en leven niet gescheiden van de wereld. Integendeel, zij zien hun werk en sociale relaties als een weg die naar God leidt. Ze zijn gewone burgers en gewone katholieken. Opus Dei heeft geen speciale manier van doen, ook geen eigen manier van bidden. Het legt er wel de nadruk op dat de mensen verantwoordelijk zijn voor hun eigen heiligheid en anderen moeten aansporen hetzelfde na te streven. Door hun gewone manier van doen zullen de gelovigen van Opus Dei niet met hun lidmaatschap te koop lopen.

De centrale zetel van Opus Dei is gevestigd in Rome (Viale Bruno Buozzi 73). Aan het hoofd staat een prelaat die volgens het kerkelijk recht door de paus wordt benoemd. In maart 1994 overleed bisschop Álvaro del Portillo, de eerste opvolger van de stichter van Opus Dei. Bisschop Javier Echevarría, de huidige prelaat, volgde hem op. De Prelatuur van Opus Dei is een organische pastorale eenheid en maakt deel uit van de jurisdictionele en hiërarchische structuur van de Kerk. De juridische figuur van de personele prelatuur is relatief nieuw in de geschiedenis van de Katholieke Kerk en is gecreëerd door het Tweede Vaticaans Concilie. Gelovigen van de prelatuur hebben in verschillende landen sociale en educatieve initiatieven opgezet, waaronder universiteiten (onder andere in Pamplona), scholen, ziekenhuizen en ontwikkelingsprojecten.

Zoals andere instellingen van de Katholieke Kerk heeft Opus Dei, vooral in zijn begintijden, te kampen gehad met controverses.
In de jaren van haar ontstaan botste de boodschap van Opus Dei – de gewone gelovigen midden in de maatschappij zijn geroepen tot heiligheid – met de verregaande klerikale mentaliteit binnen de Katholieke Kerk. Het heiligheidsideaal werd gezien als een aangelegenheid voor priesters en religieuzen. Dit leidde in de jaren 1940 onder andere tot openbare verbranding van “Camino” (“De Weg”), het bekendste boek van Opus Dei-stichter Jozefmaria Escrivá. Dat de leden, in tegenstelling tot priesters en religieuzen, als gewone lekengelovigen niet te onderscheiden waren van hun medeburgers, leidde vanuit klerikale kring tevens tot beschuldigingen van geheimzinnigheid.
Eind jaren 1960, toen de interpretatie van het Tweede Vaticaans Concilie aanleiding gaf tot verwarring op het gebied van geloof en moraal, veranderde de kritiek op Opus Dei. De stichter Escrivá uitte in deze periode herhaaldelijk zijn loyaliteit tegenover de paus en het kerkelijke leergezag. Dit leidde ertoe dat hij en Opus Dei door sommigen in toenemende mate als “ouderwets” en “star” werden bestempeld. Dit orthodoxe imago is tot op de dag van vandaag een van de kenmerken van Opus Dei.
De kritiek op Opus Dei is in hevigheid afgenomen. Door de juridische structuur van personele prelatuur heeft Opus Dei een stabiele plaats in de Kerk gekregen. Ook de heiligverklaring van stichter Jozefmaria Escrivá in 2002 lijkt daartoe te hebben bijgedragen.

Vanuit buitenkerkelijke kring werd het exclusief geestelijke doel van Opus Dei in twijfel getrokken. De instelling zou haar leden stimuleren politieke en financiële macht na te streven om haar invloed te vergroten. Dit verwijt gold vooral het politieke optreden van Opus Dei-leden ten tijde van het Franco-regime. Zo waren 8 ministers onder Franco lid van Opus Dei. De organisatie zelf benadrukte telkens dat het, als exclusief geestelijke instelling, steeds gehandeld heeft conform zijn statuten. Opus Dei zou zich niet in de politiek hebben gemengd of Franco hebben gesteund. In artikel 88 lid 3 van de statuten van Opus Dei staat dat de leden “in hun beroepsuitoefening, op maatschappelijk, politiek gebied, etc. binnen de grenzen van het katholieke geloof en de moraal dezelfde volle vrijheid genieten als hun katholieke medeburgers” en dat “de autoriteiten van de Prelatuur zich in het geheel dienen te onthouden van het geven van aanwijzingen of adviezen terzake”.
Wat Opus Dei-lidmaatschap betreft, bepalen de statuten dat elke vorm van geheimzinnigheid vermeden dient te worden (art. 89 lid 2). Leden zien echter geen aanleiding hun lidmaatschap publiekelijk bekend te maken. De wijze waarop zij de heiligheid proberen na te streven beschouwen zij als een privézaak.

Op Opus Dei en de manier waarop het te werk gaat, wordt door velen kritiek geuit. Zij zien het als een aartsconservatief bolwerk casu quo sekte, die de macht naar zich toe probeert te trekken. In verschillende landen, zoals Spanje, Groot-Brittannië en Italië, nemen of namen leden van Opus Dei deel aan het landsbestuur. Critici zien dit als een poging van de organisatie om (politieke) macht naar zich toe te trekken. Opus Dei en vele anderen zien dit juist als een essentiële opdracht van christenen en beschouwen de mogelijkheid om deel te nemen aan het politieke debat als een basisrecht.
Er bestaat in België een vereniging van ex-leden, Fiat Lux. Volgens deze organisatie ondermijnt de heiligverklaring van Escrivá de geloofwaardigheid van de Kerk, omdat de Spanjaard helemaal geen vroom man was. “Hij had een explosief temperament en kon mensen kraken. Hij was ook erg op comfort gesteld en voelde zich best in het gezelschap van rijken.”

Opus Dei en de Vrijmetselarij hebben door de esoterische roman De Da Vinci Code veel belangstelling gekregen. Enkele leden van de katholieke organisatie worden daarin afgeschilderd als sinistere mensen die er niet voor terugdeinzen moorden te plegen om de “ware” geschiedenis van de Kerk geheim te houden: dat Jezus getrouwd was met Maria Magdalena en dat zij kinderen hebben gekregen. De auteur Dan Brown heeft laten weten dat de roman een werk van fictie is. De roman is echter wel op feiten gebaseerd. Toen op 21 april 2005 bekend werd gemaakt dat hij “The British Book Award” had gewonnen, zei hij dat zijn verhaal over een complot van de Katholieke Kerk niet op waarheid berust. Telt Opus Dei in zijn boek vijf miljoen leden, in werkelijkheid zijn het er rond de 85.000. Als lekenorganisatie kent Opus Dei geen monniken. In tegenstelling tot kloosterlingen beleven de leden hun geloof juist midden in de maatschappij.

“Gemotiveerde” vrijmetselaren zoeken naar diepgang in de samenleving. Ze zijn bewust van de spirituele dimensie van het bestaan en de inspiratie die daarvan uitgaat. Ze zijn actief bezig met geestelijke ontwikkeling, vrije gedachte-uitwisseling, verdraagzaamheid en broederschap. Ze zoeken naar wat mensen bindt en proberen weg te nemen wat hen verdeelt. De wereld is een te voltooien bouwwerk, waarvan ieder mens een levende bouwsteen is.
Opus Dei is een instelling van de Rooms-katholieke Kerk. De missie is het verspreiden van de boodschap dat men via werk en leven God kan ontmoeten, maar dat men hiervoor zijn naaste moet beminnen. Dit is de voorwaarde sine qua non om de samenleving te verbeteren.

Het verschil zit hem in de uitgangspunten: humanisme en godsdienst. Dit maakt het moeilijk om in gesprek te blijven. Zeker gezien de historische groei in macht en invloed. Naar inhoud en doel zijn er echter enkele raakvlakken.
Het is het aloude probleem tussen godsdienst(en) en humanisme. De oplossing heet: ontmoeting.
Over de gehele wereld zijn deze beide organisaties goed vertegenwoordigd in de media, de ambtenarij, de politiek, de ministeriële kabinetten, de grote concerns, de financiële instellingen, de religieuze en spirituele bewegingen, de politie, het leger en de verschillende geheime diensten.
Dat wil niet zeggen dat de meeste mensen in die organisaties vrijmetselaars zijn of leden van Opus Dei, maar de sleutelposities zijn wel in hun handen, waardoor zij die organisaties controleren. Zoveel mogelijk macht, met liefst zo min mogelijk mensen, is hun devies.
Zij spelen een vooraanstaande rol in de wereld.

Ik heb uiteindelijk gekozen voor de middenweg, between all extrimities. Tussen Een God en Geen God. Tussen twee absolute waarheden. De geschiedenis van deze laatste is volgeschreven met vervolgingen, inquisitie, moorden, verbrandingen. Vandaag zijn de “moslimbroeders” de fundamentalisten. In het verleden was dat de Kerk van Rome.
Nog dit jaar verschijnt mijn essay Schoon volk in de hemel? Zes jaar heb ik eraan gewerkt, veel gelezen, veel geschreven, veel overleg gepleegd. Ik ben benieuwd naar de reacties.

2 people like this post.

Share

Discussie

2 comments voor “Overpeinzingen van Derek”

  1. Geachte Heer,

    Ik las toevallig dit artikel.

    Als lid van het Opus Dei kan ik niets anders dan vaststellen dat er vrij veel fouten in zijn. Bij voorbeeld over mezelf: ik (en niet Stefaan Seminckx) ben NKO-arts.

    Als u één lid van het Opus Dei kent en zou interviewen, zouden er misschien minder dergelijke fouten in uw artikel staan. Double check is nuttig…

    We zijn heel normale mensen. Moest u interesse hebben, ik ben bereid u te woord te staan.

    Hoogachtend.

    Jacques Leirens

    Posted by Jacques Leirens | september 24, 2012, 14:23
  2. Christendom, waarheid en relativisme
    Jacques Leirens | maandag, 26 oktober 2009

    1. Het relativisme is problematisch

    Het relativisme [1] is hét probleem waarmee het christendom in onze tijd af te rekenen heeft. Dat is de mening van talrijke denkers met een minimum aan maatschappijkritische geest. Het zal niemand verwonderen dat religieuze leiders het als een groot probleem zien [2]. Er zijn echter ook veel filosofen die erop wijzen dat het relativisme problematisch is, niet alleen aan de zogenaamde “rechts-conservatieve” kant [3], maar ook aan “links-progressieve” kant (weliswaar om verschillende redenen) [4].

    Het probleem van het relativisme is niet alleen diep in de cultuur, maar vooral in het geweten van de hedendaagse mens geworteld, gelovig of niet. Het relativisme is de vanzelfsprekende, bijna nonchalante, houding die het geweten van de hedendaagse mens aanneemt ten opzichte van de waarheid. Door de houding van zijn geweten ten opzichte van de waarheid onderscheidt de relativistische persoon zich van de persoon die dwaalt of zich vergist.

    De persoon die dwaalt of zich vergist, heeft niet per sé een inadequate houding ten opzichte van de waarheid. Wie bijvoorbeeld beweert dat twee plus twee drie is, kan dit zeggen omdat hij er vast van overtuigd is dat dit de waarheid is, maar hij vergist zich. En wie bijvoorbeeld beweert dat Jezus Christus nooit heeft gezinspeeld op zijn goddelijkheid en dat hij alleen een zachtmoedige moraliserende rabbijn was of een anti-Romeinse verzetstrijder, kan dit zeggen omdat hij er vast van overtuigd is dat dit de waarheid is, maar hij vergist zich. Zo iemand denkt dat de waarheid bereikbaar is : degenen die haar bereiken, hebben gelijk, en wel in de mate dat ze haar bereiken, en degenen die het tegengestelde beweren, vergissen zich. Met zo iemand kan je een discussie voeren.

    De relativistische persoon, daarentegen, zegt dat de goddelijke realiteiten en al wat met de zin van het menselijk bestaan te maken heeft, in wezen onbereikbaar zijn. Om over deze realiteiten te spreken maakt ieder tijdperk, cultuur of religie gebruik van bepaalde termen, symbolen, metaforen, enz. Voor de relativistische persoon zijn dat allemaal cultuur- of tijdsgebonden uitdrukkingsvormen die elkaar misschien tegenspreken, maar toch dezelfde waarde hebben. Op zeer onvolmaakte wijze verwijzen ze allemaal naar realiteiten die niemand echt kan kennen. Daarom kan volgens hem aan geen enkel conceptueel of religieus systeem een absolute waarde toegekend worden. Ze zijn allemaal historisch of cultureel ‘gerelateerd’, d.i. ‘relatief’. ‘Relatief’ als ze zijn, zijn ze evenwaardig, en zelfs complementair om eenzelfde realiteit te benaderen, die in wezen verborgen blijft.

    Een boeddhistische parabel illustreert mooi de relativistische visie [5]. Een koning in Indië riep eens alle blindgeborenen van de stad bijeen en plaatste ze rond een olifant. Sommige blinden liet hij de kop van de olifant aanraken en zei : “Dit is een olifant.” Aan andere blinden zei hij hetzelfde, terwijl hij hen de slurf, de oren of de staart deed betasten. Daarna vroeg de koning aan de blinden de olifant te beschrijven. Elkeen gaf een verschillende uitleg naargelang het deel van de olifant dat hij had betast. De blinden begonnen te ruziën. Ze raakten slaags en vormden een vermakelijk schouwspel voor de koning.

    Hoe luidt de relativistische interpretatie van deze parabel ? In een notedop : wij zijn allemaal blindgeborenen. We lopen steeds het gevaar een onvolledige en onvolmaakte kennis te ‘verabsolutiseren’, onbewust als we zijn van onze intrinsieke intellectuele beperktheid ; dit is het theoretische argument van de ‘relativist’. En als we eenmaal in de verleiding vallen om te ‘verabsolutiseren’, dan worden we al snel respectloos en agressief, en dit is mensonwaardig ; dit is het ethische argument van de ‘relativist’. Het is veel beter – zeggen ze – de relativiteit van onze ideeën te aanvaarden, niet alleen omwille van de beperktheid van onze kennis, maar ook omwille van de ethische imperatieven van tolerantie, dialoog en wederzijds respect. De ‘relativisten’ presenteren hun visie als de noodzakelijke voorwaarde voor democratie en vreedzame samenleving.

    Toegepast op de twee voorbeelden van hierboven. De ‘relativist’ zegt : als ik ervan overtuigd ben dat twee plus twee drie is, en jij dat het vier is, en nog een ander dat het zeven is, dan is het zo ; iedereen heeft zijn beperkte kijk op de dingen ; laten we daar niet over ruziën. En als ik geloof dat Jezus een moraliserende rabbijn was, en jij gelooft dat Hij in wezen waarlijk mens en waarlijk God is, en nog een ander dat Hij een anti-Romeinse verzetstrijder was, dan is het zo ; iedereen heeft zijn levensvisie ; laten we daar vooral niet over ruzieën. Waar het echt op aankomt – zegt hij – is dat iedereen in navolging van de religieus (super)begaafde figuur van zijn godsdienst (Confucius, Boeddha, Jezus, Mohammed, enz.), voor een betere wereld zorgt, met eerbied van de vrede en de natuur. Voor zo iemand is de waarheid van geen tel meer.

    2. Het christendom : de ware godsdienst

    Waarom is dit nu een probleem voor het christendom? Eenvoudigweg, omdat het christendom zich presenteert als de ware godsdienst (religio vera). De christelijke godsdienst stelt zichzelf niet voor als een mythe, noch als een geheel van gewoonten die nuttig zijn voor het sociaal leven, noch als een inspiratiebron voor positief denken, noch als een grote caritatieve NGO met internationale ambities. Het christelijk geloof deelt ons in hoofdzaak de waarheid over God mee – hoewel niet in zijn geheel zoals Hij zichzelf kent –, alsook de waarheid over de mens en de zin van het leven.

    Wanneer Jezus door Pilatus ondervraagd wordt, verklaart Hij op ondubbelzinnige wijze dat Hij de waarheid komt openbaren : “Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem.” [6] Zijn aanspraak op de waarheid wordt almaar duidelijker als hij zichzelf openbaart als degene die de volheid van de goddelijke waarheid kent : “Niemand kent de Vader tenzij de Zoon en degene aan wie de Zoon het wil openbaren” [7] en ook als Hij zich zelfs met de waarheid durft te vereenzelvigen : “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven” [8].

    De noodzakelijke ademruimte voor het christelijk geloof is de waarheid. Zonder de zuurstof van de waarheid dooft de vlam van het geloof uit, het deemstert weg in een ‘alsof-logica’ waar alleen plaats is voor zwakke waarheden zoals : het is goed dat we ons gedragen ‘alsof’ God ons geschapen heeft en ‘alsof’ we allen broeders van eenzelfde Vader zijn . Neen, het christelijk geloof heeft altijd gezegd en zegt heel duidelijk : God heeft hemel en aarde geschapen en we zijn allen gelijkwaardige zonen van God . Ja, het maakt hiermee een waarheidsclaim. Het zegt zelfs dat Christus de volle en definitieve openbaring van God is, “afstraling van zijn heerlijkheid en evenbeeld van zijn wezen” [9], enige Middelaar tussen God en de mensen [10]. Christus is dus niet alleen maar het gelaat waarmee God zich aan de Europeanen heeft laten zien.

    We mogen ook niet vergeten dat de impuls van de evangelisatie in feite voortgekomen is uit het bewustzijn, dat ons een schat van waarheden in de schoot geworpen is, die voor alle mensen bestemd is. Als het geloof maar één van de culturele varianten van alle mogelijke religieuze ervaringen van de mens is, dan had het christelijk geloof in haar cultuur moeten blijven en de andere culturen met rust laten. Het tegendeel is gebeurd, het evangelie werd op vraag van Christus wereldwijd als het “woord van de waarheid” [11] verkondigd . Als hedendaagse christenen hun waarheidsclaim opgeven, om de tijdsgeest te volgen, dan komen we tot de absurde situatie dat ze precies datgene opgeven waardoor hun geloof zo integer door zoveel generaties christenen is overgeleverd. Is dit niet de beste manier om die geloofsschat te verkwanselen?

    Het spreekt vanzelf dat vreedzaam samenleven in een geest van dialoog met hen die er een andere levensbeschouwing op nahouden, niet ingaat tegen het christendom. Wel integendeel! Wat wel ingaat tegen het christelijk geloof is het opdoeken van het theoretische referentiekader van de waarheid, zodat hij die een bepaald statement doet evenzeer gelijk kan hebben als wie datzelfde statement ontkent. Daardoor gaat ons christelijk geloof en met name ons geloof in Jezus Christus in rook op.

    3. Het religieus pluralisme en het christendom

    Laten we nu meer in detail bekijken in welke zin het ‘relativisme’ problematisch is voor de godsdiensten en in het bijzonder voor het christendom. Eerst en vooral zien we dat in het relativistisch denkkader alle godsdiensten op gelijke voet worden gezet. In dit denkkader wordt over een “theologie van het religieus pluralisme” gesproken. Voorstanders van deze theorie beweren dat het pluralisme van de godsdiensten niet alleen een feit is, maar ook een recht. Naast het christendom zou God ook de niet-christelijke religies positief gewild hebben als evenwaardige alternatieven om – onafhankelijk van Christus – zich te openbaren en de mensen te redden. In elke godsdienst zou er een echte goddelijke openbaring zijn. Christus zou niet meer zijn dan één van de mogelijke alternatieven om zich te redden.

    Deze visie berust op de vooronderstelling dat het reddend handelen van de godheid in Jezus Christus in feite historisch en cultureel gebonden is. Het reddend handelen van de godheid zou zich slechts op een beperkte manier in de godsdiensten uiten, naargelang volk of cultuur, en is nooit helemaal tot één van hen te herleiden. De absolute waarheid over God zou nooit een adequate en bevredigende uitdrukkingsvorm kunnen vinden in de geschiedenis en in de menselijke taal, die beperkt en relatief blijft. De woorden en de daden van Christus zouden aan die relativiteit onderworpen zijn, zoals de woorden en de daden van andere grote religieuze figuren van de geschiedenis. De figuur van Christus zou geen absolute en universele waarde hebben [12].

    In de encycliek Redemptoris Missio van Johannes Paulus II en in de verklaring Dominus Iesus [13] werd erop gewezen dat deze theologische theorieën de christologie in rook doen opgaan : de door Christus vervulde openbaring wordt beperkt, onvolledig en onvolmaakt verklaard, om zodoende “een vrije ruimte” voor andere, onafhankelijke openbaringen open te laten. Voor hen die deze theorieën verdedigen is bepalend dat het ethisch imperatief van de dialoog, met name met de vertegenwoordigers van de grote Aziatische godsdiensten, wordt gegarandeerd. Dat is onmogelijk – beweren ze – als niet van meet af aan wordt aangenomen dat deze religies een autonome heilswaarde hebben, onafhankelijk van Christus. We zien hier ook dat het theoretisch argument (het religieus pluralisme) grotendeels ingegeven is door een praktisch argument (het imperatief van de dialoog). We bevinden ons hier dus voor een andere versie van het gekend kantiaans thema van het primaatschap van de praktische rede boven de theoretische rede.

    Om alle misverstanden te vermijden, moeten we hier twee verduidelijkingen maken. De eerste verduidelijking is dat de katholieke Kerk niet zegt dat zij die haar geloof niet delen, zich niet kunnen redden [14]. Wat ze wel duidelijk zegt, is dat zij die buiten hun schuld Christus en zijn Kerk niet kennen en volgens hun geweten leven, zich kunnen redden, en wél door Christus en in Christus. Christus is de Verlosser en de universele Redder van de mensheid. De tweede verduidelijking is dat de katholieke Kerk niets verwerpt van wat waar en heilig is in andere godsdiensten. Zij heeft een hoge achting voor hun levenswijze, voorschriften en onderricht die, ofschoon in vele opzichten verschillend van haar eigen leerstellingen, niettemin een straal weerspiegelen van die waarheid die alle mensen verlicht [15].

    4. Het religieus pluralisme in vraag gesteld

    Wat is er nu mis met de stelling dat alle godsdiensten evenwaardige wegen naar het heil kunnen zijn ? Enerzijds is het vrij duidelijk dat God niemand verwerpt enkel en alleen maar omdat hij het christendom niet gekend heeft en omdat hij in een andere godsdienst is opgegroeid. Maar anderzijds moeten we bij die stelling vragen stellen, omdat verschillende godsdiensten niet alleen verschillende vereisten hebben, maar vaak ook tegengestelde vereisten. En hoe kunnen tegengestelde wegen tot eenzelfde doel leiden ? Moeten we ons hierbij neerleggen voor de lieve vrede ?

    Volgens Joseph Ratzinger hebben de voorstanders van de relativistische theorieën omtrent religieus pluralisme over drie punten niet genoeg nagedacht [16].

    a) Ten eerste worden de verschillende godsdiensten, alsook het agnosticisme en het atheïsme, als gelijk(waardig) beschouwd, terwijl ze dat in werkelijkheid helemaal niet zijn ! Er zijn wel degelijk lage en ziekelijke vormen van godsdienst(uitoefening) die de mens niet verheffen, maar eerder vervreemden. De marxistische kritiek op de godsdienst was niet helemaal ongegrond. Ook zien we dat godsdiensten, die een grote intrinsieke morele waarde hebben en op weg naar de waarheid zijn, hier en daar een aantal negatieve uitwassen vertonen. Bovendien mogen we niet over het hoofd zien dat er in de naam van goede ideeën en intenties door de eeuwen heen veel kwaad is geschied. Met onverschilligheid ten aanzien van de inhouden en de waarden van godsdiensten en andere levensvisies en de idee dat alle godsdiensten verschillend en toch gelijk zijn, komen we dus niet verder.

    b) Zo komen we tot het tweede punt waarover niet genoeg nagedacht is. Wanneer het over de heilswaarde van de godsdiensten gaat, beperkt men zich ertoe te zeggen dat ze allemaal evenwaardig zijn om het eeuwig leven te bereiken. Nadenken over dat eeuwig leven zelf en de concrete wijze om het te bereiken, wordt hierdoor bijna overbodig gemaakt,want we komen er toch . De hedendaagse mens lijkt zich inderdaad minder vragen over het hiernamaals te stellen. Nu is het wel zo dat het eeuwig leven hier en nu een bepaald levenswijze veronderstelt, die de mens menselijker maakt en in overeenstemming met Gods bedoelingen. In verband met de heilswaarde van de godsdiensten moeten we dus verder kijken dan de godsdiensten zelf, met name naar de waarden en normen van goed en rechtvaardig leven, die niet zomaar gerelativeerd kunnen worden. Met andere woorden: “het heil ligt niet besloten in de religies als zodanig, maar het hangt ermee samen, in zoverre, en voor zover ze de mensen ertoe brengen het goede te doen en op zoek te gaan naar God, waarheid en liefde” [17]

    c) Dit brengt ons tot het derde punt, en concreet bij Paulus. In zijn brief aan de Romeinen heeft hij een gedurfde uitspraak gedaan : dat alle mensen de stem van het geweten kunnen horen. Zodoende heeft hij de kwestie van het heil losgekoppeld van het kennen van de Thora en het in verband gebracht met de universele vereisten van het geweten waarin de ene God spreekt en aan elke mens de essentie van de Thora kenbaar maakt. Hier de uitspraak van Paulus : “Wanneer heidenen, die de wet niet hebben, uit zichzelf doen wat de wet verlangt, zijn zij zichzelf tot wet, al bezitten zij de wet dan niet. Door hun daden tonen zij, dat de wet in hun hart geschreven staat, waarbij komt het getuigenis van hun geweten” [18]. Belangrijk is dat Paulus niet zegt : als de heidenen zich aan hun godsdienst houden, dan is dat ook goed in de ogen van God. Integendeel, hij veroordeelt velen van de religieuze praktijken van zijn tijd. Hij verwijst naar een andere bron (dan de godsdienst), naar wat in ieders hart gegrift is, naar het ware goed van de ene God.

    In dit verband is het niet overbodig op te merken dat er twee tegengestelde manieren zijn om het geweten te begrijpen. Voor Paulus is het geweten het orgaan waarin Gods weerspiegeling te zien is door alle mensen, die hierin één zijn. Tegenwoordig wordt het geweten begrepen als uiting van de absoluutheid van het subject. De waarheid is niet kenbaar, het goede als zodanig is niet waarneembaar en de ene God is niet hoorbaar. Het logisch gevolg is dan: inzake moraal en godsdienst is het subject de hoogste en laatste instantie. “ Zo is in de gewetensopvatting van de nieuwe tijd het geweten de canonisering van het relativisme en staat het voor de onmogelijkheid van gemeenschappelijke zedelijke en religieuze maatstaven. ” [19].

    5. Besluit

    Relativisme en christendom staan lijnrecht tegenover elkaar. Enerzijds is het relativisme hét probleem, waarmee het christendom in onze tijd af te rekenen heeft, omdat de ‘relativisten’ het noodzakelijke referentiekader van de waarheid wegnemen. En anderzijds is het christendom een kaakslag voor het relativisme, omdat het een waarheidclaim durft te maken. Met andere woorden, het relativisme heeft ook een probleem met het christendom.

    Wat vooral indruist tegen het christelijk geloof is de idee dat het christendom en alle andere godsdiensten (al dan niet monotheïstisch), maar ook de oosterse mystieke filosofieën en het atheïsme allemaal evenwaardig zijn, omdat het diverse cultuur- en tijdsgebonden modaliteiten zijn om naar eenzelfde realiteit te verwijzen die noch de enen noch de andere in wezen kennen.

    Het religieus pluralisme leidt tot een christologie die er geen meer is : Jezus Christus is niet meer dan één van de superbegaafde religieuze figuren (naast Confucius, Boeddha, e.a.), in wie God zich misschien wel geopenbaard heeft, maar die geen absolute en universele waarde heeft. Christus als volle en definitieve openbaring van God en als enige Middelaar tussen God en de mensen is niet meer. Hierdoor verdampt niet alleen de christologie, maar dreigt ook het evangeliserend élan van het christendom lamgelegd te worden.

    Volgens de huidige paus hebben de voorstanders van het religieus pluralisme blijkbaar niet genoeg nagedacht over drie punten. Ten eerste dat alle godsdiensten niet zomaar als evenwaardig beschouwd mogen worden, omdat ze soms tegengestelde normen en waarden hebben ; ten tweede dat het eeuwig heil ook een levenswijze veronderstelt overeenkomstig het ware goede en Gods bedoeling ; en ten derde dat het menselijk geweten ( Gods weerspiegeling) de toetssteen is waarmee de mens de uitoefening van zijn godsdienst naar waarde moet schatten.

    Jacques Leirens is priester, Dr. in de Geneeskunde en de Filosofie. Deze tekst werd gepubliceerd in Emmaüs van juni-juli-augustus 2009, blz. 11-18.

    [1] Ik heb me in dit artikel grotendeels laten inspireren door de volgende auteurs: Joseph Ratzinger, Geloof, waarheid en tolerantie. Het christendom en de wereldgodsdiensten , Lannoo, Tielt 2008 ; Angel Rodriguez Luño, Relativism, Truth and Faith , in “Romana” 42 (2006) 150-158.
    [2] Zowel paus Benedictus XVI, als de patriarch Kirill van Moskou hebben van het bestrijden van het relativisme één van hun prioriteiten gemaakt. Cfr. Joseph Ratzinger, homilie “Missa pro eligendo Romano Pontifice” op 18 april 2005 ; Benedictus XVI, toespraak op 22 december 2005. Cfr. Cyrille de Smolensk et de Kaliningrad, L’Evangile et la liberté – Les valeurs de la Tradition dans la société laïque , Cerf, Paris 2006.
    [3] Cfr. Andreas Kinneging, Geografie van goed en kwaad – Filosofische essays , Het Spectrum, Utrecht 2005.
    [4] Cfr. Susan Neiman, Moral Clarity: A Guide for Grown-Up Idealists , Harcourt, New York 2008. In een interview met De Standaard(16/01/09) i.v.m. haar nieuw boek zegt ze : Links durft zijn morele overtuiging niet meer uit te spreken. Sterker nog, vindt Susan Neiman, links durft amper nog ideeën en idealen te koesteren. Het kent alleen nog relativisme, die verlammende ‘overtuiging’ dat het ene morele oordeel evenveel waard is als het andere .
    [5] Cfr. Joseph Ratzinger, Geloof, waarheid en tolerantie. Het christendom en de wereldgodsdiensten , Lannoo, Tielt 2008, p. 132.
    [6] Joh. 18, 37.
    [7] Mt . 11, 27. Cfr. Joh . 1, 18 : “Niemand heeft God gezien. De eniggeboren Zoon, die God is en aan het hart van de Vader rust, heeft Hem geopenbaard”. Cfr. Kol . 2, 9-10 : “Want in Hem alleen woont werkelijk de hele volheid van God. Door Hem zijt ook gij daarvan vervuld”.
    [8] Joh. 14, 6.
    [9] Heb . 1, 3.
    [10] Cfr. 1 Tim. 2, 5: “Want God is een, een is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus.”
    [11] Kol . 1, 5 ; cfr. ook Gal . 2, 5 ; Gal . 2, 14 (hier vinden we de uitdrukking “waarheid van het evangelie”).
    [12] Sommigen maken het onderscheid tussen het niet-geïncarneerd Woord (Lógos ásarkos of cosmische Lógos) en het geïncarneerd Woord (Lógos énsarkos). Ze beweren dat het tweede een ruimere reddende activiteit uitoefent dan het eerste. Cfr. Dupuis J., Vers une théologie chrétienne du pluralisme religieux , Éditions du Cerf, Paris, 1997.
    [13] Congregatie van de Geloofsleer, Dominus Iesus , 6: “In tegenstelling tot het geloof van de Kerk staat dus de mening dat de openbaring van Jezus Christus begrensd zou zijn, onvolledig, niet volmaakt en aanvullend aan die in andere godsdiensten. De diepste oorzaak van deze mening ligt in de bewering dat de waarheid van God in haar universaliteit en volkomenheid door geen enkele historische religie, dus ook niet door het christendom en zelfs niet door Jezus Christus, bevat en verkondigd kan worden.”
    [14] Catechismus van de Katholieke Kerk , 847: “Wie zonder schuld het evangelie van Christus en zijn kerk niet kennen, maar toch met een oprecht hart God zoeken en zijn wil, zoals het geweten hun die voorhoudt, onder invloed van de genade metterdaad trachten te volbrengen, die kunnen het eeuwig heil verwerven.” (cfr. Lumen Gentium , 16).
    [15] Cfr. Tweede Vaticaans Concilie, Nostra Aetate (Verklaring over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten) (28 oktober 1965), 2. Cfr. ook Dominus Iesus , 2.
    [16] In de volgende alinea’s laat ik de toenmalige kardinaal uitvoerig aan het woord. Cfr. Joseph Ratzinger, Fe, verdad y cultura . Internationaal Congres van Theologie over de encycliek Fides et ratio . (lezing gehouden in Madrid op 16 februari 2000). Deze lezing werd daarna verwerkt in Joseph Ratzinger, Geloof, waarheid en tolerantie. Het christendom en de wereldgodsdiensten , Lannoo, Tielt 2008, p. 113-170.
    [17] Joseph Ratzinger, Geloof, waarheid en tolerantie. Het christendom en de wereldgodsdiensten , Lannoo, Tielt 2008, p. 166.
    [18] Rom. 2, 14-15.
    [19] Joseph Ratzinger, Geloof, waarheid en tolerantie. Het christendom en de wereldgodsdiensten , Lannoo, Tielt 2008, p. 167-168.
    [20] Met toelating geplukt uit http://www.didoc.be.

    Posted by Grootmeester | november 7, 2012, 20:21

Post a comment