// u leest...

zonder categorie

CHEVALIEES

Nieuwtjes uit de ridderstand,
verzameld door Derek van ’t Gulle Zand

Ridders (“ruiters”) waren soldaten die trouw waren aan hun heer of koning. Ze beloofden hem plechtig altijd klaar voor hem te staan en hem te helpen in tijd van nood of oorlog.
De eerste ridders waren gewoon soldaten te paard. Pas vanaf de 12de eeuw moesten deze soldaten zich aan strenge voorschriften en regels houden. De afspraken die ze hierover gemaakt hadden, noemden ze ook de “erecode”. Er waren onder andere speciale regels voor de jacht, aan tafel en tijdens een gevecht. Verder werd er van hen verwacht dat ze zich netjes gedroegen en manieren hadden.

Om ridder te worden moest je een man zijn en uit een adellijke familie komen. Ridder zijn was immers heel duur. Denk maar aan de opleiding die je moest krijgen en de spullen die daarvoor nodig waren. Veel geld hebben was dus belangrijk om ridder te worden, maar je kon ook ridder worden als je veel land had. Land gaf veel aanzien en bracht geld op. Om ridder te worden moest je zo vroeg mogelijk met je opleiding beginnen. Vanaf een jaar of zeven werd je naar een ander kasteel gestuurd waar je als een soort hulpje moest leren “dienen” (opdienen, afruimen) en waar je les kreeg in goede manieren. Op de binnenplaats van een kasteel leerde een soldaat de jongens vechten.

Hygiëne en gezondheid
In de middeleeuwen nam men het niet zo nauw met de hygiëne. Men maakte zich niet zo druk over vuil en vieze luchtjes. De WC was een soort gat waar je op moest gaan zitten. Dit gat kwam uit op de gracht of in een beerput (dit is een put waarin alle menselijke uitwerpselen opgevangen werden.) Zo rond de 15de eeuw werd dit iets hygiënischer. Als WC papier gebruikte men repen linnen en de vloer werd bestrooid met lekker geurende kruiden. Een heet bad was alleen voor de allerrijksten. Men kon moeilijk aan warm water komen. Daar ging heel wat aan vooraf. Hout moest het water verwarmen. Linnen werd gebruikt om de binnenkant van het bad te bekleden. Om het water een lekker geurtje te geven deed men er badolie in. Voor dit alles moest worden betaald. De badprijs was gelijk aan bedrag waarvoor een arbeider een hele week moest werken.

In die tijd zaten overal ratten, in de kelder, in de keuken en in de stallen. Deze ratten aten van het eten en verspreidden op die manier allerlei ziekten. De vlooien in hun huid verspreidden onder andere de pest. Ook wel de zwarte dood genoemd. De zwarte dood heerste heel erg tussen 1347 en 1351. In Europa en Azië stierven wel zo’n 25 miljoen mensen. Dit kwam natuurlijk omdat men nog niet wist dat deze ratten de ziekte verspreidden en dat de mens niet echt een “schoon leven” leidde.

De mode
In de middeleeuwen vond men kleding heel belangrijk. Vooral de adel. De rijken kleedden zich heel netjes en mooi, omdat men aan iedereen wilde laten zien hoe rijk en mooi men was. De kleuren van de kleren hadden meestal ook een bepaalde betekenis. Blauw betekende dat men verliefd was, geel stond voor boosheid en grijs stond voor verdriet. Vrouwen droegen sierlijke jurken en stopten hun haar weg onder hoofddeksels. Een van die hoofddeksels was de punthoed. Deze was soms wel een meter lang. Aan de binnenkant zat een ijzeren kooi als steun. De mannen droegen meestal een soort maillot met daarover een groot kleed met mouwen. De schoenen waren vrij puntig en gemaakt van stof. Onder de schoenen werden houten zolen gebonden. (Vooral als de straten nat en modderig waren.) In die tijd had men geen kledingwinkels waar je kant-en-klare kleren kon kopen. Je moest naar een kleermaker gaan.
Het gewone volk had geen geld om zich zo netjes te kleden. Zij droegen eenvoudige kleren, zoals tunieken, hemden, wollen leggings, mantels, strooien hoeden, kappen en petten.

Bron: http://ni.msnusers.com/riddersenjonkvrouwen/dagelijksleven.msnw

Share

Discussie

No comments voor “CHEVALIEES”

Post a comment