// u leest...

webbouwstukken

Wetenschappelijk Vlaanderen

Inleiding

img_1521Waren de Middeleeuwen onwetend en barbaars? Neen, dus, anders zou ik die retorische vraag niet stellen. Wetenschap en techniek bloeiden ook in die “duistere eeuwen”. Ook bij ons en hoe!

Wetenschap is een woord dat verschillend wordt geïnterpreteerd. Tussen “kennis is het schouwen van de waarheid en de waarheid is in God” en het zuiver wetenschappelijk vrij onderzoek liggen eeuwen.

De eeuwen tussen 900 en 1425 tonen een bont beeld van Vlaanderen. Kapittels en abdijen leveren bijna de enige administratieve documenten. Toch heerst er al een drukke handel en een ambachtelijke traditie. De snelle uitbreiding van weg- en watertransport bewijst dat er nogal wat technische verbeteringen in dat vlak kwamen. Moerassen werden drooggelegd, er verschenen steenbakkerijen aan de kust, in 1134 begon men het Zwin uit te baggeren en in die tijd werden de havens van Damme, Nieuwpoort en Duinkerken gebouwd. Het ontwerp van het brede, door twee man bediende, weefgetouw gaf een impuls aan de export van het Vlaamse laken.

Vind je het niet vreemd dat de term “duistere Middeleeuwen” wordt gebruikt voor een land van kerken, kathedralen, abdijen, belforten, gildenhuizen en patriciërshuizen? Zijn zij niet het bewijs dat de bouwmeesters van toen een grote technische kennis bezaten? Zij haalden hun kennis uit de ervaring, uit de opleiding door oudere bouwmeesters, die hun kennis haalden van de Grieken en de Romeinen.

De bouw van watermolens en windmolens, zelfs getijdenmolens, was hun niet vreemd. Dat wijst op een goede kennis van de wetten van de mechanica.

Een opvallend kenmerk is de kloof tussen practici en geleerden. Die kloof wordt nog groter als de intellectuelen het Latijn verkiezen als de taal van de wetenschap (zoals het Engels nu).

Neen, de middeleeuwer was geen naïeveling, die alles geloofde wat men vertelde. Kritische zin is geen uitvinding van de renaissance en het humanisme. De (hof)schrijvers vertonen diezelfde zin voor kritiek en objectiviteit. De interesse voor verleden en heden was groot. De geschiedschrijving geeft het verglijden weer die deze eeuwen zo boeiend maken: van agrarische en feodale maatschappij naar de verstedelijking, de handel, de wetenschap.

1.

In die periode probeert men enerzijds een encyclopedisch overzicht van de kennis op te stellen en anderzijds dragen anderen bij tot het scholastieke denken. De eersten steunden op een bestaande traditie, met een moraliserend trekje. Hoe gering de wetenschappelijke waarde van die encyclopedieën ook waren, ze wijzen toch op een belangstelling voor de exacte wetenschappen.

Dat er wetenschappelijk onderzoek was, is duidelijk.

Ik citeer een Vlaamse wiskundige, Gerard van Brussel, die een essay schreef over de relatie tussen beweging en massa. In een Ieperse keure uit de 13de eeuw worden regels voor de apotekarissen of verkopers van kruiderijen opgenomen. Ook Vlaamse astrologen en alchemisten spelen een rol. Bartholomeus van Brugge in de Remedium Epydimie een artikel over de hygiëne die de arts bij pestepidemieën moet toepassen.

In diezelfde periode wordt ook de rationele manier van denken uitgewerkt. De scholastiek was een poging om het geloof (en de geloofwaardigheid) te formuleren en te funderen. Dit was niet mogelijk zonder een grondige kennis van de antieke teksten en dus een gedegen kennis van Grieks en Latijn. Vanaf de 12de eeuw vinden wij goede en kritische vertalers. Rudolf van Brugge vertaalde een Arabisch werk over het astrolabium. De dominicaan Willem van Moerkerke vertaalde alle werken van Aristoteles en verbeterde de werken van Hippocrates. Hij bracht ook de leer van Plato binnen het bereik van de westerse filosofen.

Eén van de origineelste denkers van de 13de eeuw was Zeger van Brabant. Op zijn 42ste wordt hij wegens zijn afwijkende, en dus ketterse, meningen door de inquisitie veroordeeld en opgesloten. Hier raak ik een bijzonder teer punt aan: de wijze waarop de Kerk met nieuwe theorieën omsprong. Met de invoering van het Romeinse recht en de pogingen om het gewoonterecht en de verschillende soorten rechtbanken in overeenstemming te brengen met het Romeinse recht, staan wij aan de rand van een nieuwe tijd: de renaissance en het humanisme.

2.

De periode van de renaissance en het humanisme is er een van grote verwarring. De wetenschapsbeoefening lijdt onder verstarring en formalisme. Juist daarom valt het op dat Hendrik van Zomeren, een Leuvense professor, een heel nieuw dispuut start. Hij verdedigt de stelling dat alleen de individuele dingen realiteit zijn, dat algemene begrippen niet bestaan.

Wat precies onder renaissance en humanisme moet worden verstaan, is al eeuwen een discussiepunt. Ik zou zeggen: een steeds sterker wordende nadruk op de positieve wetenschappen en op persoonlijk en proefondervindelijk onderzoek.

De verstedelijking in Vlaanderen is een feit: Antwerpen maakt in 1531 de eerste beurs ter wereld, Brugge is dan al lang uitgespeeld. Met de ontdekking van Amerika wordt Antwerpen een belangrijke stapel- en overslagplaats voor de handel. Die verstedelijking wordt gedragen door een revolutie in de landbouw.

De overbevolking zorgt in de 15de en 16de eeuw voor emigratiegolven, vooral de religieuze, maar ook de politieke repressie zorgen voor een selectie van de emigranten.

Uiteraard hebben de godsdienstige troebelen en hun politieke vertaling veel moeilijkheden veroorzaakt. Boven op deze breuklijn van de tijden kwam de al bestaande breuk tussen de conservatieven en de progressieven. Die laatsten werden fel bestreden. Logisch, want ze schopten tegen tweeduizend jaar overlevering aan.

Copernicus publiceerde in die tijd zijn boek De revolutionibus orbius coelestium waarin hij schrijft dat niet de aarde maar de zon het middelpunt van ons sterrenstelsel is.

Onder invloed van het humanisme zal worden gepleit voor een zuivere en exacte taal, maar tegelijk zal de liefde voor de oude auteurs en de hartstochtelijke verering voor alles wat uit de klassieke tijden stamt, voor een wat wonderlijke verstarring zorgen.

Toch zal de combinatie van wetenschappelijk denken en naïviteit, van streven naar vernieuwing en liefde voor de klassieke auteurs nog lang het wetenschappelijk denken bepalen.

Het universitaire onderwijs in de klassieke talen omvatte vanaf 1520 de studie van Latijn, Grieks en Hebreeuws aan de Leuvense universiteit. De Jezuïeten kwamen in 1542 in Leuven aan, – en dat is twee jaar na hun stichting.

De vergelijkende taalkunde werd wetenschappelijk aangepakt, al berustte het resultaat vaak op toevallige ontdekkingen of reizen. Hierdoor ontstond grote belangstelling voor de volkstaal. De aanzet was al eerder gegeven. Kinderen van commerçanten moesten nu eenmaal vreemde talen leren en dus werd er naar de eenvoudigste manier gezocht. Woordenboeken, woordenlijstjes om uit het hoofd te leren.

De echte revolutie in de wetenschappen gebeurde in de geneeskunde. Pas als je weet dat de opleiding van artsen toen meer weg had van filologische en filosofische disputen, besef je hoe revolutionair Andreas Vesalius wel was. In 1536 kreeg hij eindelijk toestemming om opnieuw een anatomie – zoals dat toen heette – te doen. Leuven had zich daar lang tegen verzet.

Dat alles begint bij de Luther van de geneeskunde, met name Theophrastus Paracelsus. In Antwerpen vond hij een overvloed aan nieuwe kruiden. Antwerpen was immers de handelsmetropool van het Noorden.

3.

De theorieën van de nieuwlichters, Paracelsus, Vesalius en Dodoens, zullen het ambt van chirurgijn, op dat moment en voor lange tijd niets meer dan een ambachtsman, snel vooruithelpen.

Ook de invloed van de boekdrukkunst in die verandering was groot. De boekdrukkunst zorgde meteen voor een snel en goedkoop drukken van handboeken, zowel op het gebied van de exacte wetenschappen als in de taalkunde en voor het aanleren van vreemde talen.

Wie een balans wil maken van de wetenschap tussen 1425 en 1625, moet tot het besluit komen dat de weg naar het experiment vrij is gemaakt. De echte beroerde tijden moeten echter nog komen.

In de 17de en 18de eeuw maakt Vlaanderen een beroerde tijd door: de Beeldenstorm en de Spaanse furie in de 17de, in de 18de deden de aartshertogen hun blijde intrede en het zilver uit Spanje stroomde toe.

Wallonië ontwikkelde zich tot wapensmidse van Europa en zou nogal wat geschoolde en ongeschoolde valklui aantrekken.

Toch mogen de gevolgen van de emigratie niet worden overdreven: het noorden was niet meer te bereiken, maar de grens naar Frankrijk was wijd open. Antwerpen bleef echter een centrum: de uitwijkelingen hadden familieleden achtergelaten om de zaken in het oog te houden. De handelsrelaties uit Spanje en Portugal bleven via Antwerpen lopen. De sluiting van de Schelde werd opgevangen door het uitbouwen van de havens van Duinkerke en Oostende.

De belangstelling voor reisverhalen bleef hier groot. Reisverhalen over West-Indië en de nieuwe Amerikaanse kolonies kwamen uit het noorden. Ook de geschiedenis blijft interessant en is nu een volwaardige wetenschap geworden. Angst voor een kerkelijke reactie heeft veel kritische historici ontmoedigd. De kerk zelf wilde ook wat eeuwenoud stof en bijgeloof kwijt. Jan Bolland en Godfried Henskens hadden echter wel af te rekenen met allerlei aanvallen van traditionele katholieken. De Leuvense hoogleraar Peter van de Casteele publiceerde in 1618 de allereerste echte geschiedenis van de geneeskunde.

Op het gebied van de astronomie lagen de zaken gevoeliger. Astronomie was religieus terrein. De banvloek die over Copernicus en Galileï werd uitgesproken, zorgde ervoor dat velen zich terugtrokken in pure beschrijving en speculaties achterwege lieten.

De Leuvense hoogleraar en filosoof Libert Froidmont beschreef kometen als weerkundige verschijnselen en niet als tekens van Gods woede. Rond die tijd verschenen ook verklaringen van de regenboog, de bijzon en de halo.

Aan het Romeinse college werkten twee Vlaamse astronomen: Odon van Maelcote en Gregorius van Saint-Vincent. Beiden slaagden erin te bewijzen dat Venus rond de zon draaide.

De wiskunde maakte in die tijd grote vorderingen. Simon Stevin en Andreas Tacquet waren onbetwist de grootsten uit die periode. Eén van Tacquets leerlingen was Ferdinand Verbiest die in 1357 naar China trok en daar een Westerse kalender invoerde. Hij maakte ook wetenschappelijke instrumenten voor de keizerlijke sterrenwacht.

In de geneeskunde werd de kloof tussen theorie en praktijk nog groter. De opleiding aan de universiteiten bleef traditioneel. De grootste veranderingen gebeurden buiten de van angst verlamde universiteiten. De Brusselse arts Jan-Baptist van Helmont bestreed heftig de oude therapieën. Hij raadde aan koortsaanvallen te bestrijden met zweetmiddelen in plaats van met aderlatingen. Hij meende dat sommige ziekten veroorzaakt werden door een virus en pleitte voor de inschakeling van de chemie in de artsenopleiding.

Uit veel geschriften blijkt dat de artsen in vele, zo niet de meeste gevallen machteloos stonden. Toen in Vlaanderen een pestepidemie uitbrak, kon men niet meer doen dan de besmetting indijken.

4.

Na de dood van aartshertog Albrecht in 1621 is de rust voorbij. Vlaanderen wordt het slagveld van oorlogen tussen steeds wisselende bondgenoten. Vooral de Franse troepen hebben hier lelijk huisgehouden: de techniek van de verschroeide aarde betekent de zoveelste klap voor de landbouw.

De overheid moet maatregelen nemen: de landbouw wordt gestimuleerd, moerassen worden drooggelegd, nieuwe gewassen, zoals aardappelen en tabak, zorgen voor een nieuwe industrie, er worden proeven gedaan om gezonder vee te kweken. Betere wegen en nieuwe kanalen worden aangelegd.

De klappen zijn echter te groot: de 18de eeuw wordt het dieptepunt uit de Vlaamse geschiedenis. Oorlog, hongersnood, plunderingen en verwoesting zijn in de 17de en de eerste helft 18de eeuw schering en inslag.

Pas met de regering van keizerin Maria-Theresia komt daar verandering in.

De eerste industriële revolutie begint in Engeland en zorgt voor een enorme verandering in de overheersend agrarische West-Europese maatschappij. 1° De landbouw herstelt zich. 2° De steden worden centra waar nieuwe industrieën bloeien. 3° Nieuwe uitvindingen, zoals de stoommachine, zorgen voor een opleving.

Deze nieuwe bloei komt in Vlaanderen na 1750. Hier begint de industriële revolutie met Lieven Bauwens. Hij profiteert van de oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Hij is een gehaaid collaborateur, leverancier van het Franse leger, verkoper van het uit kerken en kloosters gestolen zilver en koper. Machines worden geleverd uit Engeland en de vakmensen die mee komen, worden hier vlug ontslagen. Ook de Franse autoriteiten vinden na een tijd de handelswijze van Bauwens te gortig. (In de 19de eeuw wordt Bauwens geromantiseerd en bestempelt als de weldoener van de stad Gent.)

De technische evolutie heeft echter met de wetenschap weinig te maken. Universiteit geven onderwijs, maar doen niet aan onderzoek. De universiteit kampt bovendien met een gebrek aan geld. In de middelbare scholen mislukt elke hervorming. Filosofie, theologie en taalkunde zijn in deze periode armzalige vakken.

Naast de Leuvense universiteit bestaat sinds 1772 in Brussel ook de Keizerlijke Academie. De Academie houdt zich bezig met astronomie, cartografie, meteorologie. De basis van het huidige KLMI werd door de Oostenrijkers gelegd.

Hoe schamel de resultaten van deze Oostenrijkse periode ook zijn, het vertrouwen in de wetenschap is groot. Dit blijkt uit de talrijke operaties in deze tijd.

De opvoeding van de vroedvrouwen wordt vooral in West-Vlaanderen grondig aangepakt. Ook de opleiding van chirurgijns en apothekers krijgt waardering. Tegen de dorpspastoors wordt van leer getrokken omdat ze niet erg te winden zijn voor moderne methoden en een wetenschappelijke behandeling.

Met de Franse tijd verandert alles. Het volksonderwijs werd afgeschaft. Nauwelijks 7% van de kinderen gaat naar school.

Pas met Napoleon komt er enige rust. De welvaart verhoogt, er komen speciale scholen voor de opleiding van artsen, vroedvrouwen, apothekers en herboristen. In 1803 wordt de chirurgijn eindelijk chirurg. Pas na de ontdekking van de antisepsis door Joseph Lister (einde 19de eeuw) verminderen de sterftecijfers na operaties.

De Franse tijd en de vele oorlogen zorgen in ieder geval voor een snelle medische vooruitgang. Dominicus Leroy ontdekt een nieuwe behandeling voor ingewikkelde breuken: hij reposeert het bot en omwindt het met gouddraad. Louis Seurin vindt het stijfselverband uit, waardoor de kans op gangreen, infectie en volledige stijfheid vermindert.

5.

De korte Nederlandse periode herstelt niet alles wat verloren ging. De welvaart stijgt, de industrie wordt bevorderd en de oprichting van de Société Générale zorgt voor het geld dat de Waalse industrie nodig heeft. De Nederlandse koning steunt John Cockerill, die de Waalse staalindustrie vernieuwt, en stimuleert de nationale productie van stoommachines.

De wetenschappelijke belangstelling van Willem I is echter niet groot. Ook in die tijd leveren de universiteiten nauwelijks een bijdrage. Ze werken bovendien niet mee. De oude Leuvense universiteit neemt het Willem bijzonder kwalijk dat hij haar privileges niet wil erkennen en Luik en Gent op dezelfde voet plaatst.

Echt nieuw is het ontstaan van de moderne psychiatrie. Jozef Guislain is een Gentse dokter die een kruistocht voert tegen de behandeling van geesteszieken. Hij stelt een ziekenhuisreglement op, voert handenarbeid in en verbetert de voeding, de kledij en de sanitaire voorzieningen.

In deze tijd komen er ook (eindelijk) twee veeartsenijscholen: in Brussel en in Luik. Na de Belgische revolutie blijft alleen Brussel over. Eentalig Frans. Dit is een teken van de gehele evolutie. De Belgische begint alweer met een soort van repressie tegen al wie aan orangistische universiteiten heeft gewerkt. Na een tijd luwt de repressie en krijgen wij voortaan twee rijksuniversiteiten (Gent en Luik) en twee vrije universiteiten (Brussel en Leuven).

De industriële ontwikkeling gaat snel: in 1834 rijdt de eerste trein en vijftien jaar later ligt er 336 km spoorweg. De mijnen in Beringen produceren een kwart meer kolen en overal komen er stoommachines.

6.

In de 19de eeuw groeit het besef dat de geleerde veel meer kan bereiken indien hij in team werkt.

De eerste industriële revolutie is nauwelijks verteerd, wanneer de tweede golf begint. Vanaf nu grijpen wetenschap en industrie als tandwielen in elkaar. Wetenschappelijke theorieën worden uitgetest en zorgen voor industrieën die op hun beurt de handel en de werkgelegenheid beïnvloeden.

De belangrijkste in de rij van industriële uitvinders is Leo Hendrik Baekeland. Hij zoekt naar een chemische vervanger van hars. In 1907 ziet hij mogelijkheden om iets te maken dat “celluloid of hard rubber” kan vervangen. Achttien maanden later heeft hij het bakeliet uitgevonden en methodes ontwikkeld om het te maken. Het materiaal is bruikbaar voor toasters, stekkers, isolatiematerieel, radiokasten. Met Baekeland begint de industrie van polyester, polyvinyl en polyethyleen.

Filologie wordt een wetenschap aan de universiteiten. Filologen gooien hun volle gewicht in de strijd rond de spelling en het Algemeen Nederlands.

Het werk van de 19de-eeuwse embryologen in Gent en Leuven bepaalt mede de grondregels voor de moderne genetica; zij steunen Darwins wereldschokkende theorieën.

Röntgenologie en radiotherapie maken een snelle evolutie door. In het begin worden röntgenstralen alleen gebruikt voor diagnose, maar vrij snel werden zij ook ingeschakeld bij operaties. Tegelijk wordt kankeronderzoek mogelijk wanneer de Union Minière radium uit Kongo levert.

(Wordt vervolgd)

1 person likes this post.

Share

Discussie

3 comments voor “Wetenschappelijk Vlaanderen”

  1. Interessant, NOG een keer lezen 🙂

    Posted by Founder Riddle | juni 13, 2009, 00:58
  2. odo van maelcote was geen vlaming maar wel een brabantenaar, van de stad brussel met vader jan van maelcote van stad leuven, dank u 😉

    Posted by thierry Van Malcote de Kessel | december 17, 2009, 13:14
  3. Niet bedoeld als kritiek, eerder als hulp: Ferdinand Verbiest in 1357 ??? (Hstk 3, 3de laatste paragraaf).

    Posted by Patrick | augustus 1, 2013, 11:22

Post a comment