August 7, 2010 - Door Derek van 't Gulle Zand Meester-Ridder van het Rozenscheermes
In de loop van de geschiedenis zijn “duistere machten” overal en altijd bedrijvig, op alles en iedereen hebben zij een onzichtbare impact, op geestelijke leiders, politici, economen. Ze worden door de historici ook “de regenten” genoemd, zij die regeren. Deze (schim)figuren bewogen zich vroeger halfweg tussen kamerdienaar (valet de chambre) en lijfwacht (garde du corps). Nu zijn het dienaren van hoge rang aan hoven, presidentiële paleizen, hogere geestelijkheid en de wereld van de financiën. In de “onderwereld” maken zij deel uit van de Vrijmetselarij, de Rozenkruisers, de Orde van de Tempel en andere initiatieke genootschappen.
Wie zijn zij? Sommige auteurs beweren dat zij lid zijn (waren) van Agartha, de “Grande Loge spirituelle”, waarvan ook Dante (1265-1321), Paracelsus (1493-1541), Nostradamus (1503-1566), Jacob Böhme (1575-1624), graaf Alexander van Cagliostro (1743-1795), graaf de Saint-Germain (18de eeuw), Frank A. Mesmer (1733-1815) en Raspoetin (1871-1916) deel van zouden hebben uitgemaakt.
Tijdens een lezing te Nice in 1972 in het “Atelier du Réalisme Fantastique” zei Wilfried Chetteoui: “72 man regeren de wereld; in 1922 lieten zij de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Walther Rathenau (1867-1922) vermoorden.”
Agartha duikt ook op in het begin van de 20ste eeuw: het nazisme wilde de hegemonie over de wereld en inspireerde zich aan “Le Roi du Monde”, met name Frederik Barbarossa (1152-1190), een tijdgenoot van de Tempeliers, die verwoede pogingen ondernam om de wereld te regeren; ook Hitler was bezeten van deze gedachte.
Wie regeert de wereld? “Verborgen machten”, “geheime genootschappen”, in een perfecte harmonie tussen de witte (Agartha) en de zwarte magie (Shambhala). Sham is Sanskriet voor stilte, ongestoorde (gemoeds)rust. Shambhala wordt door de Puranas van Indië, tijdgenoten van het Nieuw Testament, beschreven als een wonderlijke plaats, een oase van kennis en rust. Daar is ook het “Wereldlijk Spiritueel Centrum” gevestigd. Dit “Centrum” organiseert nog geregeld congressen in Parijs en in Brussel.
In de tweede helft van de 18de eeuw richtte J.A. Stark, predikant aan het hof van Darmstadt en vrijmetselaar, de “Cléricat des Templiers” op. In 1781 kwam – door enkele indiscreties – aan het licht dat die “duistere machten” van de “Cléricat” eigenlijk jezuïeten van hoge rang waren die, verbannen uit Frankrijk, in de “Cléricat” een uitweg vonden voor het behoud van macht en invloed. In 1802 maakte een zekere Barbet, in zijn boek het bestaan van een “Ondergronds Centrum van de Universele Vrijmetselarij” bekend. Hij verdween echter spoorloos.
Tussen de twee wereldoorlogen opereerde ene Trebitsch-Lincoln. Hij was lid van de “Ordo Templis” én van de Vrijmetselarij, later ook van de Chinese Triade. Hij dook achtereenvolgens op in Hongarije, Groot-Brittannië, Frankrijk, Nederland, Duitsland, China en Japan, Tibet en Canada. Trebitsch-Lincoln werd om zijn “alomtegenwoordigheid” als een avonturier bestempeld.
De meeste “duistere machten” worden als avonturiers afgeschilderd. Wat onbekend is (of onbegrepen) wordt afgedaan als een fantasietje, een leugen, een fabel.
Dokter Alphand, ingewijd in een Russische werkplaats en uitgeweken naar Constantinopel, behoorde eveneens tot de “duistere machten”; hij werd vertrouwensman van Lenin (1870-1924) en één van de belangrijkste figuren van de Russische oktoberrevolutie van 1917. De profane wereld stelde zich geen vragen over deze twee “uitzonderlijke figuren”. Wat u niet begrijpt, kunt u ook negeren.
Eén keer heeft de Orde van Vrijmetselaars de loop van de geschiedenis “openlijk” gewijzigd. In de Slag van Valmy, op 20 september 1792, werd de nederlaag van de het Franse leger op het laatste ogenblik beperkt tot een artillerieduel en kwam de voorspelde vernedering er niet aan. Het was immers een publiek geheim dat de Franse generaals Charles François Dumouriez (1739-1823) en François C. Kellerman (1735-1820) en Pruisisch opperbevelhebber K.W.F., hertog van Brunswijk, Vrijmetselaars waren. Bovendien waren Dumouriez en Kellerman lid van dezelfde werkplaats, met name “La Loge Saint-Napoléon”. Onder hun drieën kwamen zij overeen de “vernedering” te beperken. Na 1815 werd François Kellerman een hoge dignitaris in de Schotse Ritus.
Van alle orden springt de lotsbestemming van de Orde van de Tempeliers het meest uit de band, geen enkele had ooit zoveel invloed op de wereldgeschiedenis, invloed die ook in onze tijd nog relevant is, maar veel onzichtbaarder dan vroeger. “Duistere machten” blijven de Orde van de Tempeliers bevolken en de loop van de geschiedenis mee bepalen. Deze Tempelorde is de moeder van alle “geheime genootschappen”, zowel die van de witte als van de zwarte magie.
Wie waren zij? Wie zijn zij?
Soldaten, financiers, administrateurs, kunstenaars, ingewijden. Waarom kregen zij van Boudewijn II, koning van Constantinopel, de permissie om naar Palestina te komen en zich te vestigen in een vleugel van zijn paleis, naast de moskee El Aksa, die gebouwd was op de plaats waar de Tempel van Salomo zou hebben gestaan? Niemand kan dit met zekerheid zeggen. Om er te zoeken naar de Ark des Verbond en de Tafelen der Wet? Wie de Ark en de Tafelen bezat, zou toegang krijgen tot de Absolute Kennis.
Wanneer Sint-Bernard van Clairvaux zijn negen “ridders” uitstuurt, krijgen zij als opdracht de pelgrimswegen te beveiligen, maar hun geheime missie is duidelijk: op zoek gaan naar de Tafelen der Wet en hij bedoelt “la conquête du Graal (oudfrans)”.
De kruistochten werden niet ondernomen om de heilige plaatsen te bevrijden, want die waren nooit ofte nimmer bezet of ontoegankelijk De kruistochten kwamen Boudewijn II echter goed uit om zijn imago op te vijzelen (wereldlijke macht) en zowel de katholieke als de moslimse geestelijkheid zagen in dit bloedig conflict een adequaat instrument om hun geestelijke macht te verstevigen.
De Orde van Tempeliers had twee vertakkingen: enerzijds de bouwers en de beheerders van het vastgoed en anderzijds zij die werden ingewijd in de hoogste graden: de geheime tak van de Orde.
Op documenten hebben onderzoekers drie geheime zegels teruggevonden: de Zegel van de Geheime Grootmeester, de geheime Tegenzegel en de Zegel van de Geheime Prior. De Geheime Grootmeester interfereerde vaak achter de coulissen in het leven van de Tempelorde. Zoals Roncelin de Fos, Chevalier de Provence, die herhaaldelijk “Maître Suprême de l’Ordre” werd genoemd, maar niet voorkomt op de officiële lijst van de Grootmeesters.
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de geheime – of esoterische – regel die alleen gekend was door een beperkt aantal leden van de orde, de “onbekende broeders”, en die de officiële regel een diepere zin gaf, en anderzijds de regel die gekend was door alle leden van de orde en die geheimgehouden werd voor niet-leden. Zo’n regel komt bij vele mystieke organisaties voor.
Naast het bekende breedarmige kruis van de Tempeliers bestond ook een (esoterisch?) Kruis van de Tempel, een kruis met rechte armen. Dit kruis komt voor op talrijke graffiti, o.a. te Domme in de Périgord, waar talrijke Tempeliers werden opgesloten, en in het kasteel van Vertheuil in de Gironde. Dit kasteel lag op de weg die Saint-Jacques-de-Compostelle nam op zijn initiatieke bedevaart naar Santiago de Compostela.
Deze (ingewijde) tempeliers waren gnostici die weigerden te geloven dat God mens geworden was en aan het kruis zou zijn gestorven. Voor hen was de ware Drievuldigheid: Vader-Moeder-Zoon en niet Vader-Zoon-H. Geest. Dit verklaart enerzijds hun verering van de Maagd Maria en anderzijds hun afkeer voor het beeld van de gekruisigde God. Het feit dat de (ingewijde) Tempeliers gnostici waren heeft zeker bijgedragen tot hun verstandhouding met de ismaëlitische assassijnen. De contacten met deze “ongelovigen” waren niet toevallig. De eerste Grootmeester van de tempeliers heette Hugues de Payns (orthografisch soms Payen of Pagan geschreven), Hugues le païen. Hij is echter niet geboren in Payns (in de Champagnestreek), maar op het kasteel van Mahun, een gemeente van Saint-Symphorien-de-Mahun, in de Ardèche, waar zijn vader de bijnaam “De Moor” kreeg. Zijn donkere huidskleur zou hiervoor een plausibele verklaring kunnen zijn, maar de drie koppen van Moren op zijn blazoen wijzen op een andere connectie.
Toen ik in de Var een drietal keren een gebouw van de tempeliers bezocht, notities maakte en foto’s schoot, werd ik nauwlettend in de gaten gehouden. Toen mijn vrouw en ik op een dag naar onze hotelkamer terugkeerden, stelden wij tot onze ontzetting vast dat de kamer was gefouilleerd. Dit was niet de eerste keer dat wij ons bespied voelden. We bezoeken nu eenmaal graag commanderijen en oude gebouwen, kerken, kapellen, kloosters. Dit woord- en beeldmateriaal is vaak inspiratiebron voor nieuwe gedichten of voor prozaïscher werk.
Is de invloed van de (huidige) tempeliers vandaag de dag nog zo groot? Of zijn het “de onwettige kinderen” die zich belaagd voelen? Bang dat wij opnieuw bewijzen zullen vinden dat zij de geschiedenis geweld hebben aangedaan? Ik denk hier aan de Kerk van Rome, die, bevreesd voor onthulling van haar halve waarheden, heeft gemoord en mensen opgejaagd of verbannen (de inquisitie) enerzijds en anderzijds aan de vele sekten en initiatieke genootschappen die uiterst behoedzaam hun werk voortzetten, aan de gelovigen die de Kerk hebben verlaten voor het rechtstreekse contact met God.
In de zomer van 2000 trokken mijn vrouw en ik naar de Languedoc en bezochten Rennes-le-Château. Het dorpje ligt op een verlaten plek, genesteld op de top van een steile heuvel, in het zuidwesten van Frankrijk. In de zomer ligt het in de zinderende zon, in de winter wordt het gegeseld door de gure wind.
Het kasteel van Rennes-le-Château bestaat nog steeds. Zijn vergane glorie getuigt van de vroegere strategische ligging van het dorp. Hoewel het prachtige uitzicht reikt tot aan de met sneeuw bedekte toppen van de Pyreneeën en tegenwoordig veel bewonderd wordt, weegt dit niet op tegen de ontberingen van het dagelijks leven op deze ontoegankelijke plaats. Zelfs met de moderne weg, daterend van rond de eeuwwisseling, is de kronkelende reis van de vallei naar de top tijdrovend. Van verre ziet het dorp eruit alsof het van de rest van de wereld is afgesneden, een oord waar de tijd stilstaat.
Rennes-le-Château geldt als een mysterieus oord, een plek waar een geheim rust dat nog ontsluierd moet worden, een plaats met een lange geschiedenis vol verwarrende sporen van bizarre en sinistere gebeurtenissen, aangevuld met de verhalen over een fabelachtige schat. Dit was ook de hoofdreden van onze reis.
De geschiedenis van Rennes en haar omgeving begint in het Stenen Tijdperk, maar de eerste belangrijke nederzetting werd door de Romeinen gesticht. Ze ontdekten de natuurlijke rijkdommen van het gebied in de vorm van edelmetalen. De donkere en onheilspellende ingangen van hun goud- en zilvermijnen gapen nog steeds in de bergwanden. Nog altijd worden er Romeinse munten en juwelen aangetroffen.
Toch moet een belangrijke schat uit de Romeinse tijd nog gevonden worden. In 70 na Chr. werd de Tempel van Jeruzalem geplunderd en verwoest door de troepen van Titus. Ongetwijfeld werd de buit naar Rome gebracht. De bas-reliëfs die Titus’ triomf uitbeelden, vertonen duidelijk een menora (een zevenarmige kandelaar) die nergens anders vandaan kan komen. De gestolen schatten zouden meer dan drie eeuwen in Rome blijven, tot het rijk uiteen begon te vallen.
In 410 werd de stad op haar beurt geplunderd door de Visigoten onder leiding van Alarik. Hun nomadische instincten waren te sterk om zich te schikken in de geneugten van het stadsleven en ze vertrokken al snel naar nieuwe weidegronden. Hierbij zouden ze de schat van de Tempel hebben meegenomen. Twee jaar later bereikten ze de kusten van Zuid-Gallië.
Het gebied rond Rennes-le-Château trok de Visigoten aan. Zij streken er neer en vestigden een permanent koninkrijk dat zich over de Pyreneeën tot in Noord-Spanje uitstrekte. Als de Visigoten de schat werkelijk meenamen, dan is deze sindsdien nooit meer opgedoken. De mogelijkheid kan niet worden uitgesloten dat deze ergens in of rond Rennes-le-Château is verborgen.
Na de komst van de Visigoten in Rennes volgden twee eeuwen van relatieve stabiliteit, tot in de zesde eeuw de Merovingers vanuit het noorden kwamen en hun heerschappij over het Visigotische rijk vestigden. De Merovingische indringers hadden een hoogstaande cultuur en zij begroeven hun doden met sieraden vol edelstenen van uitzonderlijke schoonheid. Een van hun koningen, Dagobert II, huwde in Rennes-le-Château een Visigotische prinses, Gizelle de Razès. Onnodig te zeggen dat de legendarische rijkdom van de Merovingers aanleiding gaf tot verhalen over een fabelachtige schat die in het gebied rond Rennes op ontdekking wachtte.
Zou op deze locatie ook de grootste schat van het christendom zijn beland? Hoe vreemd het ook klinkt, in grote lijnen kan de legende die wil dat de Heilige Graal uiteindelijk hier terechtkwam, best juist zijn. In de eerste eeuw na Chr. zou Jozef van Arimathea, in gezelschap van Maria Magdalena of Maria van Bethanië, hier zijn beland. Hij had de beker in zijn bezit die toen de Graal werd genoemd en het bloed van de gekruisigde Christus bevatte.
Zuid-Gallië werd destijds door de Romeinse keizer gebruikt als een handig verbanningsoord voor ongewenste beroemdheden of afvallige bondgenoten. Zowel Herodes Antipas als Pontius Pilatus werden naar dit gebied verbannen. Historisch gezien is het niet uit te sluiten dat Maria Magdalena en Jozef van Arimathea, twee toegewijde volgelingen van Jezus, naar Gallië waren gegaan in een zelf opgelegde diaspora.
Is Maria Magdalena niet de in gnostische geheimen doorknede, seksuele partner van Jezus en de moeder van een talrijk naar Europa overgewaaid geslacht? Deze erotische inkleuring van Magdalena en Jezus is niet onschriftuurlijk. Wat is de juiste verklaring van de voetwassing door Magdalena? Dit is een uiting van nederige tederheid, liefdevolle onderdanigheid. Wist u dat het woord “voet” in de bijbel soms wordt gebruikt in de betekenis van penis? De bijbelse voetwassing is een versluierde verwijzing naar geslachtsgemeenschap.
In de eerste eeuw na Chr. onderhielden kooplieden drukke vaarroutes over de gehele Middellandse Zee. Zo hadden mensen die niet over land wilden reizen een eenvoudig transportmiddel ter beschikking. Veel joodse families vestigden zich destijds in de streek rond Rennes-le-Château. Maria Magdalena zou toen zij hier aankwam een kind van Jezus hebben verwacht. Haar nageslacht zou zich in de 5de eeuw hebben vermengd met een koninklijk huis van de Franken, waaruit de Merovingers zijn voortgekomen. Tot het Merovingische geslacht behoorde ook Godfried van Bouillon die in 1099 Jeruzalem zou veroveren. Zo kreeg het koninklijk geslacht van Jezus tijdelijk zijn rechtmatig erfdeel terug.
De Graal blijft echter even ongrijpbaar als de bron van zijn legende. De romantische middeleeuwse legende over de Graal en koning Arthur is één van de vele versies. Toch wordt de Graal ook gelinkt aan een bestaande ridderorde: de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo, beter bekend als de Tempelridders.
Het hoofdkwartier van de tempeliers bevond zich nabij de verwoeste Tempel van Salomo. Deze locatie was de Orde, vlak na haar oprichting in 1120, toegewezen door Boudewijn II, koning van Jeruzalem. Een aantal aanwijzingen duidt erop dat de oorspronkelijke groep van negen ridders al enige tijd daarvoor een “verbond” had gesloten en pas later de titel van Orde aannam en haar bestaan onthulde. Rond 1130, met de steun van St.-Bernard van Clairvaux en geld dat vanuit de hele christelijke wereld binnenstroomde, begon de ster van de Orde zeer snel te rijzen. De Tempelridders groeiden uit tot een belangrijke politieke en financiële macht. Hun macht werd zo groot, dat zelfs koningen voor hen moesten buigen. Dit werd echter een beslissende factor in hun plotselinge en onstuitbare ondergang die uitmondde in de ontbinding van de Orde, waarbij haar bezittingen werden verdeeld.
Naar verluidt deden de tempeliers opgravingen in de Tempelberg. Onder deze heilige plaats ontdekten zij een schat die zij meenamen naar Frankrijk en verborgen in de streek rond Rennes-le-Château. Deze schat zou de enige ware Graal zijn.
De nieuwe abbé François Bérenger Saunière liet in 1887 renovatiewerken uitvoeren aan zijn kerk in Rennes-le-Château. Twee arbeiders vonden in een steunpilaar van het hoofdaltaar, met Visigotische tekening, twee houten kokers die oude perkamenten bevatten. In 1891 ontdekte Bérenger Saunière voor het altaar onder een oude dalsteen een graf. Nieuw onderzoek kwam op gang.
Zeker tot aan het begin van de twintigste eeuw zou een kleine kern van ingewijden hebben bestaan, die vertrouwd was met de oude kennis van de Rozenkruisers. Deze kennis was ontstaan uit de lectuur van de gnostische evangeliën die waren doorgegeven via de Tempelridders. Indien Saunière de perkamenten kon ontcijferen, zal hem dit slechts zijn gelukt met de hulp van de Rozenkruisers. Hij kwam met hen in contact toen hij in 1892 naar Parijs kwam. De pastoor heeft daarop later dikwijls gezinspeeld. Heeft er in het gebied van Rennes-le-Château onder de katholieke priesters een kern van Rozenkruisers bestaan? Of heeft Saunière zich geschikt naar de religieuze overtuigingen van weldoeners, die hem uit verlangen naar het geheim in weelde lieten baden?
Welk geheim?
We kunnen ons geen geschiktere plaats voorstellen dan Rennes-le-Château als toevluchtsoord voor een verbannen Jezus of voor hen die zijn stoffelijke resten onder hun hoede hadden genomen. Al in de middeleeuwen lag het ver verwijderd van de machtscentra Parijs en Rome; tot op de dag van vandaag is Rennes geestelijk onafhankelijk. De geest van het kathaarse verzet is er nooit gestorven.
Ik ben ervan overtuigd dat Saunière inderdaad de locatie heeft gevonden en de ware aard van de daar verborgen “schat” heeft begrepen. Zijn reis naar Parijs in 1892 kan worden gezien als het keerpunt in zijn bestaan als arme priester; daarna verandert hij in een bon-vivant.
Saunière had de perkamenten al vijf jaar in zijn bezit, vooraleer hij ze naar verluidt naar Parijs bracht.
Abbé François Bérenger Saunière
De financiële bijdragen die Saunière van zijn Parijse weldoeners ontving, waren enorm. Bovendien worden er voortdurend toespelingen gemaakt op de geestelijke en gnostische aard van de “schat”. Ik ben ervan overtuigd dat het geheim de ultieme ketterij belichaamt. Het daagt de macht en het gezag uit van de grootste en succesvolste religieuze organisatie uit de “beschaafde” geschiedenis, met name de Rooms-katholieke Kerk.
De Kerk van Rome heeft de boodschap van de Messias verdraaid, Petrus en Paulus hebben een Kerk gesticht op basis van de vermeende verdwijning van een lichaam. De Roomse Kerk heeft de gelovige moreel in gijzeling gehouden.
Toen we in Rennes-le-Château aankwamen, waren we ontroerd door de pracht en de grootsheid van het landschap. De berghellingen die de achtergrond voor dit oude bergdorp vormen, zijn wild en onherbergzaam, en strekken zich uit tot aan de besneeuwde toppen van de Pyreneeën in de verte.
Ondersteund door zijn isolement is het gebied een voedingsbodem (geweest) voor ketterij en een voortdurende bron van problemen voor de regering in Parijs.
Geboren op 11 april 1852 in het buurdorp Montazels, dat uitkijkt over de vallei van de Aude, werd François Bérenger Saunière in 1885, drieëndertig jaar oud, pastoor in de parochie van Rennes-le-Château. Hij was arm, vulde zijn dieet aan met vis en wild dat hij op zijn lange tochten door de omgeving, ving. Zijn persoonlijke dagboeken, die nog steeds bestaan, getuigen van een sobere leefwijze en een uiterst minimaal voedingsrantsoen. De parochiekerk van St. Maria Magdalena (waar het beroemde huwelijk tussen Dagobert II en Gizelle de Razès had plaatsgevonden) was weliswaar in de 15de eeuw gerestaureerd, maar tegen het einde van de 19de eeuw door gebrek aan onderhoud in zeer slechte staat geraakt.
Daar kwam verandering in, toen de nieuwe pastoor met de beperkte middelen die tot zijn beschikking stonden, de restauratie van het altaar ter hand nam. Toen de altaarsteen van zijn oude draagsteunen werd verwijderd, ontdekte hij een aantal documenten, die bewaard waren in houten kokers. En er waren getuigen bij: Saunière werd bij de restauratie bijgestaan door zes personen, van wie er in 1958 nog twee in leven waren en de ontdekking bevestigden.
Vanaf dat moment zou het leven van Saunière veranderen. Zijn ontdekking van de oude documenten zette een proces in gang waarvan de consequenties ver boven het spirituele welzijn van zijn nieuwe kudde zouden uitstijgen. Grote rijkdom en een luxueus bestaan vielen de nieuwe pastoor ten deel, waarvan de materiële voordelen werden gedeeld met metgezellen en consorten.
Oude steunpilaar van Visigotische oorsprong, waarin arbeiders in 1887 twee houten kokers vonden met geheimzinnige perkamenten.
Het jaartal 1891 werd later aangebracht en verwijst naar de vondst van een oud
graf onder een grote dalsteen voor het altaar.
Tijdens zijn leven had Saunière een diepgaande invloed op het rustige dorp Rennes-le-Château. Het feit dat hij op raadselachtige wijze aan een fabelachtige rijkdom was gekomen, versterkte de verhalen over schatten. Voor de bevolking van de streek leek het antwoord simpel en hoefde geen ontcijfering. De nieuwe pastoor was op een bron van materiële rijkdom gestoten, verborgen door hun voorouders. Gedurende zijn leven handhaafde Saunière echter het stilzwijgen over de bron van zijn fondsen en weigerde halsstarrig zijn “geheim” te onthullen. Zijn huishoudster Marie Denarnaud (1868-1953) sprak alleen in algemene termen over het voortbestaan van grenzeloze rijkdom in de streek.
We waren naar Rennes-le-Château gekomen om met eigen ogen de plekken te aanschouwen die tot zoveel speculaties hadden geleid en om vast te stellen of bepaalde befaamde details op waarheid berustten.
Had de “schat van Rennes” niet alleen een geldelijke waarde (de legendarische schat van de Tempel van Jeruzalem, de munten of oude juwelen), maar stond hij ook in verband met het leven van Christus, met name zijn stoffelijke resten? Zou de schat niet bestaan uit heilige teksten, gnostisch van oorsprong, die een radicaal andere versie over het leven en de dood van Jezus bevatten dan de evangeliën? Als de schat uit teksten bestond, zou het niet veel eenvoudiger geweest zijn om kopieën te maken en de originelen te verbergen? Waarom dan toch gekozen om deze te begraven onder tonnen rots?
De bekendmaking van een geheim dat het fundament van de katholieke leer totaal zou omverwerpen, zou zelfs de meest doorgewinterde gelovige op de proef stellen. Is het deze geheimhouding die de geldstroom naar Rennes-le-Château op gang heeft gebracht? De locatie waarvan sprake is de buitengewone rotsformatie op de flank van de Mont Cardou. Zij is voor de ingewijde eenvoudig te herkennen. De linker rots rijst immers onder een hoek van 75° meer dan honderd meter hoog op uit de flank van de berg. Het is de geheime schrijn van het gnosticisme.
Wat is de betekenis van de naam van de berg Cardou? Rennes-le-Château ligt in de Languedoc, de streek die haar naam ontleent aan de langue d’oc het plaatselijke woord voor “ja”; de gebieden in het noorden stonden bekend als de langue d’oïl. De Franse streektaal kent vele variaties in uitspraak en manier van uitdrukken. Deze zijn echter nergens zo geprononceerd als in de taal van de Languedoc; de langue d’oc kent bovendien sterke Catalaanse invloeden. Er bestaat een tendens het lidwoord en het voorzetsel te laten vervallen, zodat de zinsnede verandert in “Corps Dieu”. Daarnaast worden klanken heel anders uitgesproken. De woorden krijgen een zachtere klank met een rollende nadruk op de laatste lettergreep. Een inwoner van de Languedoc spreekt de o uit als een zachte, ronde a en de lettergreep “eu” wordt een langere “oe” (of “ou” in het Frans).
Bevat het geheim, verborgen in de helling van de Mont Cardou, de sleutel tot de aard van de “schat” zelf? Het belichaamt het verschil tussen de voorchristelijke, Messiaanse wereld en de Rooms-katholieke Kerk. Ontving pastoor François Bérenger Saunière een rijkdom aan zwijggeld en was de “schat” “le Corps de Dieu” of in het langue d’oc “Cardou”?
Tijdens ons verblijf in Rennes-le-Château hebben wij ook kennis gemaakt met de levende en de dode Katharen. Het is geen toeval – trouwens toeval bestaat niet: het is een te gemakkelijke wijze om niet te moeten toegeven dat wij de oorzaak van een voorval, een gebeurtenis, een feit niet kennen – dat daar, in het zuidwesten van Frankrijk, de Katharen leefden (13de eeuw) en zich heftig verweerden tegen de paniekerige Kerk van Rome die alweer haar toevlucht nam tot de inquisitie, uit doodsangst dat die andere (enige) Waarheid zou worden onthuld en dat zij haar bedrogen aanhang zou verliezen.
In het embryonale stadium van de Kerk had Paulus nog ruimte gelaten voor een ketterij die hij beschouwde als een handig instrument om de gelovige van de ongelovige te onderscheiden. In de twaalfde eeuw was dit liberalisme echter vergeten of domweg genegeerd. Rome werd intolerant, waaruit maar één ding kon voortvloeien: de sociale vooruitgang kwam abrupt tot stilstand en het recht van een individu op zelfverwezenlijking zou worden onderdrukt. De twaalfde eeuw luidde een tijdperk in waarin christenen elkaar op grote schaal bevochten.
Wat liep er fout? Waarom stortte de Kerk zich zo enthousiast op de onderdrukking van medechristenen? Het antwoord ligt gedeeltelijk in de oorsprong van de christelijke Kerk en het inherente probleem Jezus’ woorden om te zetten in daden. Het lijdt geen twijfel dat Jezus een revolutionair was. Hij had een boodschap van gelijke behandeling verkondigd die niet paste in een hiërarchische samenleving; juist omdat de hiërarchie erdoor werd ondermijnd. Het christendom kon bogen op succes, maar weerspiegelde het de ware boodschap van Jezus? Voor velen, van de judeo-christelijke Nazareeërs tot de Katharen van de Languedoc, was de ware boodschap gestorven bij de verkiezing van de eerste Roomse paus. De ware tragedie van het leven van Jezus lag in de manier waarop zijn woorden waren verdraaid.
De Tempeliers gebruikten op het hoogste niveau van hun organisatie een geheimschrift: het Atbash-schrift. Dit schrift toont aan dat de leiders van de Tempelorde beïnvloed werden door het christelijke gnosticisme dat destijds nog in het Nabije Oosten standhield.
Ook het kathaarse geloof was diepgeworteld in de gnostische overtuiging van de 3de-eeuwse sekte van de Manicheeërs. Zij noemden het hoofdpersonage van de evangeliën “Jezus de Lichtstraler”. Voor de Manicheeërs en later ook voor de Katharen was Jezus niet de Zoon van God, maar een engel op aardse zending. Voor de Katharen zou Jezus zijn lichtlichaam (of “etherlichaam”) hebben afgelegd en in een schijnlichaam (als het ware incognito) op aarde zijn verlossingsleer hebben gepredikt.
In de tweede helft van de elfde eeuw had dit geloof zich stevig genesteld in de bergachtige streek van de Languedoc. De meeste Katharen woonden in Albi, vandaar hun andere naam: de Albigenzen.
In het begin van de dertiende eeuw zou de kathaarse “ketterij” tijdens de Albigenzische kruistocht krachtdadig onderdrukt worden. Rome had de beschikking gekregen over geestelijke stoottroepen met de oprichting van de Orde der Dominicanen als de nieuwe “militie van Christus”. De Kerk was nog steeds fel gebrand op ketterijen en ieder zweempje gnosticisme diende te worden uitgeroeid. Vanuit de brokstukken van de Byzantijnse Kerk was het zaad van het gnosticisme overgewaaid naar het Westen en had via Italië Zuid-Frankrijk bereikt. Het kathaarse geloof heeft als fundament de scheiding tussen Goed en Kwaad: God die goed is heerst over een spirituele wereld; die staat tegenover de materiële wereld die door Satan wordt geregeerd. De mens is dus een geest die door een list van de duivel in de materie is opgesloten.
Raymond, graaf van Toulouse, beklaagde zich er in 1176 over dat zijn stad werd overspoeld door “ketterse” Katharen. Dit was de aanzet tot een bundeling van krachten om aan deze situatie een einde te maken. De actie werd gesteund door Rome en voorzien van een verreikend mandaat. Het was een regelrechte oorlogsverklaring aan medechristenen en kreeg naar het grote aantal Katharen dat in en om de stad Albi leefde de naam van de Albigenzische kruistocht.
Tussen 1208 en 1256 teisterden de “kruisvaarders” van de paus in een bloeddorstige poging de kathaarse ketterij voorgoed uit te roeien de “besmette” gebieden van Zuid-Frankrijk. De Kerk zag al snel in dat het probleem nu eens en voor altijd opgelost diende te worden. Voor dit doel werd onder het evangelische leiderschap van Sint-Dominicus de eerste katholieke inquisitie in het leven geroepen. De inquisiteurs gingen ter plekke aan de slag. Ze zetten hun tribunalen op in de bergdorpen van de Languedoc en roeiden alle overgebleven aanhangers uit.
Wie kan vandaag legitiem de erfenis van de tempeliers opeisen? Officieel werden de bezittingen van de Tempeliers toegewezen aan de Hospitaalridders van Sint-Jan van Jeruzalem, de rivalen van de Orde, vandaag bekend onder de naam “Ridders van Malta”. Ook de charismatische beweging zou hier al haar prullaria vandaan hebben gehaald, een beweging die zich heel snel verspreid onder de “belaagde vorsten van Europa”, de aristocratie, en onder de “andersdenkende maar gehoorzame” geestelijkheid die door Rome worden gedoogd als troefkaarten in imagebuilding: bewegen maar niet veranderen, luisteren maar niet horen, zingen maar niet protesteren.
Grootmeester Prins Angelo de Mojana di Colognia liet op 26 augustus 1976 weten dat Mgr. François Ducaud-Bourget, reeds 21 jaar kapelaan van Malta in Frankrijk, uit zijn functie werd ontheven omdat hij zijn steun had betuigd aan de dissident Mgr. Lefebvre. Zijn dit de erfgenamen van de Tempeliers? Neen. Philips de Schone (1285-1314) had nog vergeefs geprobeerd deze twee rivaliserende milities te verzoenen.
De enige officiële “continua” van de Tempelorde zijn enerzijds de Spaanse Orde van Montesa, opgericht in 1316, en anderzijds de Orde van de Christelijke Militie, opgericht in 1318 in Portugal. Het tempelierskruis prijkt twee eeuwen later nog altijd op de banieren van Vasco da Gama (1469-1524) en Magalhâes (1480-1521). Vandaag leeft de Orde van de Tempeliers nog voort in drie filiaties: een eerste zou vanuit Spanje en Portugal, via Marokko, in Frankrijk zijn beland. De tweede zou naar de Teutoonse Ridders en de Duitse Rozenkruisers leiden. De derde zou de Ethiopische of de megalithische filiatie zijn.
Meunier de Précourt deelt over deze laatste filiatie op 22 april 1762 aan Jean-Baptiste Willermoz mee: “ Het is wenselijk dat u weet dat de Rozenkruisers die in 1614 in het Noorden opdoken tempeliers waren die ook nu nog (18de eeuw) actief zijn in Duitsland en daar hun geheimen hebben doorgegeven aan enkele intimi van de Teutoonse Ridders.”
Dante Alighieri, de graaf van Beaujeu, Pierre d’Aumont, Larmenius en Meester Jacques zouden geheime Grootmeesters van de Orde van de Tempel zijn geweest.
Dante is niet alleen de auteur van de “Divina Comedia” (een initiatiek boek bij uitstek), maar ook de leider van de occulte “Fideli d’Amore” (die ook politiek actief was). Hij zou door Jacques de Molay (1245-1314) zelf tot Tempelier zijn verheven. De Molay zou ook zijn neef, de graaf de Beaujeu, ingewijd hebben in de geheimen van de Tempel.
Naast de geheimen die de Tempeliers in Jeruzalem in de schoot vielen (1120), werden zij ook ingewijd in de 112 profetieën van Saint-Malachie of Armagh (1094-1148). Deze laatste werd als O’Morgair geboren in 1094 in Armagh (Ierland). De verwoesting van de Keltische kloosters door de vikings had de Ierse Kerk beroofd van haar spirituele en culturele wortels. De jonge O’Morgair behoorde eerst tot de vates die geen echte priesters waren, maar toch werden erkend door Saint-Patrick. De vates waren gereputeerde zieners. Vates heeft dezelfde oorsprong als Vaat. De ovaten waren in de hiërarchie van de druïdenkaste belast met de voorspelling.
In 1119 werd hij priester gewijd; in 1125 werd hij bisschop van Connor en in 1135 aartsbisschop van Armagh. In 1138 bracht hij zijn zetel over naar een cisterciënzerklooster in York. In 1139 reisde hij af naar Rome, maar maakte een omweg naar Clairvaux waar hij werd ontvangen door Sint-Bernard. Beiden waren ingewijd in de hoogste druïdengraad wardoor zij kennis hadden van de geheimen van de vates.
Na zijn bezoek aan paus Innocentius II trok Malachie of Armagh opnieuw naar Clairvaux vooraleer in te schepen naar Ierland. Toen hij zijn einde voelde naderen, keerde hij terug naar Clairvaux om daar in te slapen in de armen van zijn broeder Sint-Bernard op 2 november 1148.
Malachie is de auteur van de 112 profetieën over de pausen, vanaf Celestijn II (1143-1144) tot Johannes-Paulus II.
Schonk Sint-Bernard aan de Tempelorde niet alleen een Regel, maar gaf hij haar ook een aantal geheimen door, waaronder deze 112 profetieën? Het ziet er naar uit. Hadden de Tempelridders daardoor inzicht in het lot van de pausen en in de bestemming van de Kerk van Petrus? Toen Jacques de Molay, Grootmeester van de Tempelorde, op de brandstapel stond, voorspelde hij de dood van Filips de Schone en paus Clemens V in dat zelfde jaar. Clemens V stierf aan een ongeneeslijke ziekte, verkrampt door verschrikkelijke pijn (profetie 31 van Malachie of Armagh).
Na het drama (de terechtstelling van de gevangen Tempeliers) kon de Provinciale Grootmeester van Auvergne, Pierre d’Aumont, met twee commandeurs en vijf ridders, de vlucht nemen. Ze vermomden zich als metselaars en trokken naar Corsica waar zij de Grootcommandeur, Georges de Harris, en talrijke andere broeders terugvonden. Zij besloten de Orde verder te zetten. Op Sint-Jan in 1313 hielden zij een kapittel waar d’Aumont (eerste van het alfabet) tot Grootmeester van de Tempel werd gekozen. Het kapittel verhuisde zijn zetel naar Aberdeen in Schotland. Van daaruit zwermde de Orde, onder de mom en de bescherming van de Orde van Vrijmetselaars, uit in Italië, Duitsland, Spanje en elders.
Aan het einde van de 19de eeuw publiceerde de Orde van de Rozenkruisers, de Orde van de Tempel en de Orde van de Graal een gemeenschappelijk communiqué (1890). In 1900 werd in Duitsland de Orde van de Nieuwe Tempel opgericht door Adolf Jozef Lanz. Deze nieuwe Orde zou later Hitler en de eerste nazi’s sterk hebben beïnvloed in hun streven naar de wereldhegemonie.
In 1945 dook in Parijs een Soevereine en Militaire Orde van de Tempel van Jeruzalem op. Don Jaime de Mora y Aragon, broer van de Belgische koningin Fabiola, werd er plechtig ontvangen door generaal Sdrojewski, de eerste Grootmeester.
Vandaag de dag beweren heel wat genootschappen dat zij de erfgenamen zijn van de Orde van de Tempeliers. Ik noem de belangrijkste op (in invloed en ledental):
- De Orde van het Tempelkruis (met afdelingen in geheel West-Europa).
- De Orde van het Grootoosten (met zetel in New York, maar ook vertegenwoordigd in West-Europa).
- De Internatonale Unie van Christelijke Ridders (met zetel in Parijs).
- De Liga van de Moderne Tempeliers (eveneens met zetel in Parijs).
- De Soevereine en Militaire Orde der Franken (met zetel in Montpellier).
- De Tempeliersorde van Cyprus (met zetel in Romainville). Deze Orde nodigt op haar activiteiten ook de pers uit. Zij verricht vooral filantropisch werk voor slechtziende kinderen.
- De Gerenoveerde Orde van de Tempel (met zetel in Vaison-la-Romaine).
- De Ridderlijke Compagnie van de Christelijke Orde (met zetel in Espelette).
- De Orde van de Ridders van de Heilige Tempel (met een zetel te Brive waar haar drukkerij is gevestigd).
- De Orde van de Roos (met zetel in Nice). De Orde van de Roos werkt ongeveer zoals de Rozenkruisers en enkele Vrijmetselaarsloges. Zij houdt trouwens goede contacten met het Grootoosten, de Grootloge, de obedientie-Bineau, met Memphis-Misraïm. Veel van haar leden zijn ook lid van de Lions en de Rotary.
- De Soevereine Orde van de Zonnetempel (met zetel in Monte-Carlo, opgericht in 1963). Het kasteel van Arigny te Beaujeu, in het Rhône-departement, is de wieg van de Orde van de Tempel; daar vergadert het geheime Kapittel, daar verblijft Agartha. 666 jaar na de arrestatie van de tempeliers (1207-1973) werd in het kasteel van Arigny een plechtige rouwzitting gehouden.
Dat de Vrijmetselarij “verre familie” zou zijn van de Orde van de Tempel, wordt algemeen aangenomen. Het onderwerp Vrijmetselarij is omgeven door een dichte mist van geheimzinnigheid. De wantrouwige kerkganger associeert de Loge vlakaf met satanisme (eind jaren vijftig werd op de katholieke school nog verteld dat je een vrijmetselaar kon herkennen aan de bokkenpoten die uit zijn broekspijpen staken), en voor de sceptische profaan gaat het om een excentrieke gezelligheidsclub, verslaafd aan tafelgeneugten. Voor de ene moet haar fameuze geheim ongetwijfeld in verband staan met godslasterlijk geknoei met hosties en kruisbeelden, en voor de andere zijn het slechts pompeuze verkleedpartijen waarbij anachronistische rituelen worden gebruikt. En stellig ook (vriendjes)politiek.
In de recente coming out-literatuur voor het profane publiek, geschreven door logebroeders zelf, heet het dat het geheim van de Vrijmetselarij enkel ligt in de onmededeelbare persoonlijke ervaring tijdens de rituele inwijdingen. Dit is waar, maar die waarheid is onvolledig. De vrijmetselaar beleeft de dingen die hij in de Tempel ziet op een persoonlijke wijze (dit is zijn geheim), maar over de dingen die hij niet ziet of niets over verneemt, kan hij niet oordelen. Ook hier geldt dat velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren: in de hogere graden kan de nieuwsgierige broeder zich echter “vervolmaken” en kennis opdoen. Misschien smaakt hij het geluk te worden uitgekozen om deelachtig te zijn aan het maçonnieke geheim.
De Vrijmetselarij kent een “reguliere” of gelovige strekking en een ”irreguliere” of rationalistische (vrijzinnige) strekking. De obediënties van de eerste groep houden zich strikt aan de originele Brits-theïstische richtlijnen, vastgelegd in de “2de Constituties van Anderson” (1738). Sedert 1877 weert de tweede groep “uit haar midden namen als God, Jezus, en ook de bijbel of andere boeken uit de religieuze sfeer”. Deze opdeling is simplistisch (niet alle obediënties zullen zich gelukkig prijzen met deze tweedeling), maar zij is tenminste duidelijk voor de leek.
De toekenning van de drie symbolische (blauwe) graden (Leerling, Gezel en Meester) verloopt natuurlijk in besloten kring, maar dankzij de onthullingen van teleurgestelde of afvallige “verraders” weet de buitenstaander al lang dat er tijdens die vaak kleurrijke en ongetwijfeld indrukwekkende ensceneringen geen wereldschokkende concrete kennis te rapen valt.
De betreffende rituelen draaien voornamelijk rond de vermeende betekenis van zinnebeelden en symbolische werktuigen en het doorgeven van symboolgeladen herkenningstekens en –woorden. Overigens kan men tegenwoordig de integrale inwijdingsceremonies van de drie blauwe of St.-Jansgraden lezen op Internet.
Het angstvallig gecodificeerde vrijmetselaarsleven in een geborgen sfeer kan het logelid zielenrust en een zinvol en lofwaardig levensdoel geven, zoals anderen die zoeken bij een officiële of sektarische religie. Het is de bedoeling dat de maçon zich als mens gradueel vervolmaakt. Hij wordt geacht aan zichzelf te schaven als de steenkapper die vorm geeft aan een ruwe steen. Ook in de Vrijmetselarij is slechts de top van de piramide op de hoogte van het “maçonniek geheim”.
Ik heb het over een heus metafysisch geheim (waar zelfs de academische wijsbegeerte en natuurwetenschappen niets over zouden weten) en over de vraag of er integere geheime genootschappen (hebben) bestaan die zo’n authentiek numineus geheim achterhouden.
Op 15 juli 1782 startte in Wilhelmsbad (Duitsland) een internationaal convent van occulte, “gerectificeerde” vrijmetselaarsobediënties. Het werd door Grootmeester Hertog Ferdinand Von Braunschweig ingeleid met de woorden: “… de ware ingewijden konden zich zekere vertroostende kennis eigen maken, betrouwbaarder, schoner en ouder dan de meeste der menselijke wetenschappen.”
Wie bezit dergelijke benijdenswaardige kennis? Wie zal het zeggen. Het is echter bekend dat de Gerectificeerde Schotse Ritus de enige Rite is die zijn (hier 6) gewone graden bekroont met uiterst geheime (en aan de meeste vrijmetselaars zelfs onbekende) interne ordegraden van professen en grootprofessen.
Behoudens het feit dat deze graden zich bezighouden met activiteiten van spirituele en metafysische aard, is er weinig of niets over te vinden in de algemene vrijmetselarijliteratuur. Eén zaak staat vast: de topgraden van de hedendaagse Gerectificeerde Schotse Ritus zijn overgeërfd van een uitgesproken raadselachtige en marginale tak aan de 18de-eeuwse Franse Vrijmetselaarsboom: de Chevaliers Maçons Elus Coëns de l’Univers (Vrijmetselaarsridders Uitverkoren Coëns van het Heelal).
Stichter van de Orde is Jacques Delivon Joacin de la Tour de la “Case Martinès de Pasqually”. Pasqually werd geboren te Grenoble in 1727. Hij stamde af van Spaanse of Portugese joden die indertijd werden gedwongen zich tot het christendom te bekeren. Zijn vader had banden met de zogenaamde Jacobietische Vrijmetselarij die kabbalistische wijsheid aan hem doorgaf.
In 1754 werd Pasqually in Montpellier ingewijd in de maçonnieke meestergraad. Hij had echter afwijkende ideeën over de vrijmetselaarsinwijding en stichtte in 1760 een eigen Kapittel, de “Temple des Elus Cohen”. De specifieke hogere graden die hierin werden verleend, kregen aanvankelijk erkenning van de reguliere Franse Grootloge, maar in 1766 begon de Grootloge concurrentie te vrezen van het zich steeds uitbreidend systeem van de Schotse graden in het algemeen en van Pasqually’s occult Kapittel in het bijzonder. Pasqually reorganiseerde zijn systeem en bouwde een heel nieuwe orde op: de “Ordre des vrais chevaliers Maçons Elus Coëns de l’Univers”. In Parijs richtte hij een maçonniek Soeverein Tribunaal op, eigende zichzelf de titel van “Grand Souverain” toe en installeerde de gepensioneerde luitenant-kolonel en regulier vrijmetselaar Bacon de la Chevalerie als “Substitut Universel”.
De twee belangrijkste personages die Pasqually in zijn systeem heeft ingewijd, zijn advocaat en legerofficier Louis-Claude de Saint-Martin (later bekend als “le Philosophe Inconnu”) en de zijdehandelaar Jean-Baptiste Willermoz, grondlegger van de Gerectificeerde Schotse Ritus. Beiden behaalden de zelden verleende en zeer geheime graad van “Réau-Croix”.
Om goed te begrijpen waar het in de Orde des Elus Coëns (of Cohen) om te doen was, is het noodzakelijk iets te weten over Pasqually’s gnostische wereldbeschouwing, beschreven in zijn belangrijkste werk: Traité de la Réintégration des Etres dans leurs premières propriétés, vertues et puissances spirituelles et divines.
In wezen gaat het om een geheime en symbolische versie van de bijbelse boeken Genesis en Exodus. Er is sprake van een eerste Goddelijke Emanatie die in opstand komt en verbannen wordt naar een speciaal hiervoor geschapen materiële sfeer (de Val der Engelen). Een Tweede Emanatie, de glorieuze Adam, krijgt de taak de ontaarde Eerste in zijn stoffelijke kerker te bewaken, met de hulp van hogere geesten waar hij de leiding over heeft. Maar ook de Réau (of God-Mens) Adam bezondigt zich aan hoogmoed; hij plagieert zijn Schepper en probeert zonder Zijn hulp een kopie van zichzelf te maken. Het resultaat is echter een fysiek lichaam zonder meer. Ook Adam wordt met zijn schepsel (Houwa, Eva) naar de aardse sfeer verbannen, waar ze zich samen in schuld en kwetsbaarheid zullen voortplanten.
Toch slagen afstammelingen van Adams rechtvaardige zoon Seth (de Mineurs Spirituels) er aanvankelijk in de communicatie te herstellen door het praktiseren van de Ware Goddelijke Cultus: een specifieke “spirituele operatie” met de hulp van Geestelijke Wezens (Mineurs Elus) die zich soms incarneren in een menselijk lichaam. Maar de Sethmens vermengt zich in de loop der eeuwen meer en meer met de verworpen Caïnmens en vergeet ten slotte het bestaan en de verlossingsleer van de Mineurs Elus.
Volgens Pasqually verloor het joodse volk na Salomon langzamerhand het vermogen tot het beoefenen van de Ware Goddelijke Cultus. Ingewijden brachten de cultus over naar naburige heidense volkeren.
Jezus van Nazareth, zelf een geïncarneerde Mineur Elu, gaf de theurgische richtlijnen voor de Ware Cultus door aan zijn apostelen die de “esoterische boodschap van het christendom” doorgaven aan uitverkoren derden. Zo hebben ook ingewijde kerkvaders als Augustinus en Origines de Ware Cultus gekend. Ook (ingewijde) tempeliers zouden weet gehad hebben van wat er zich indertijd in het Heilige der Heiligen van Salomons Tempel daadwerkelijk heeft afgespeeld.
Willermoz zocht later contact met de toenmalige Duitse Tempeliers van de Strikte Observantie, een initiatieorde gesticht door baron Karl von Hund (1722-1776). Willermoz was ervan overtuigd dat de hoogste graden van deze Orde verwant waren met de geheime graad Réau Croix van de Elus Coëns.
Wie houdt de touwtjes stevig in handen van deze geheime genootschappen in de Westerse en de Oosterse wereld? Deze genootschappen, met een exclusief lidmaatschap en een geheim occult ritueel dat het sterkst tot uitdrukking komt in de initiatierite of de inwijding, zijn bekend. Soms kennen wij ook de leden onder aan de piramide, maar de top, zij die de touwtjes in handen hebben, blijven (ook nu nog) onzichtbaar op de achtergrond. Politiek zijn zij ongrijpbaar en voor elke regering gevaarlijk. Zij zetelen in de “Grande Loge spirituelle”, met name Agartha.
Zijn zij te vinden in de hoogste graden van initiatieke genootschappen? Daar ben ik niet van overtuigd. Hierover bestaat geen uitsluitsel. De escalatie van hoge graden die begon aan het einde van de 18de eeuw en opgeld bleef maken tot ver in de 20ste eeuw, heeft geleid tot fractionistisch gekrakeel en sekte-achtige groupuscule-vorming.
Deze hoge graden-vrijmetselarijen kenden zeer uiteenlopende en vaak schilderachtige thema’s en scenario’s. Talrijke “hoge” graden kwamen neer op ware bijbelse feuilletonromans of toneelstukken waarin een soms complete vrije-fantaserende-interpretatie van de Heilige Schrift hoogtij vierde en een buitenkerkelijke theologie werd geformuleerd. Ze zijn het product van een incongruentie tussen de officiële godsdienstigheid van een conventioneel christendom/katholicisme en een diepgaandere individuele beleving van de religie.
Daarnaast zijn er onder meer nog (conservatief-feodale) Riddergraden, waarin men soms de kruistochten nog eens wil overdoen. Pseudo-ridderschappen waar de sociale mimesis voor de aristocratische topklasse bijzonder merkbaar is.
Bijzonder aantrekkelijk zijn ook de (pseudo)-Schotse graden. Sommige daarvan hebben een indirect politieke achtergrond en betonen veel bewondering voor het katholieke koningshuis van de Stuarts. Deze aanvankelijk Schotse koningendynastie (1371) regeerde vanaf 1603 ook over Engeland, maar diende in 1688 naar het continent te vluchten. Uit sommige graden spreekt een vaag Stuart-loyalisme.
Sommige “hoge” graden fungeerden een tijdje als “topsuccesgraden” om daarna gedepasseerd te worden door nieuwe creaties. De graad die zich in onze gewesten het langst aan de top handhaaft, is de maçonnieke “Rozenkruisgraad”. Hij wordt verleend onder de vrij pompeuze en chevalereske benaming van “Ridder van de Arend en de Pelikaan, Souverein Prins van het Rozenkruis en Volmaakt Meester”.
Enkele figuren drukten in de 18de eeuw hun stempel op het logeleven bij ons: maçonnieke activisten, propagandisten, publicisten van de nieuwe maçonnieke sociabiliteit. Vier van hen (voor de buitenwereld bekend als “lichthartige avonturiers”) hebben bij ons een belangrijke rol gespeeld.
Te Brussel, Luik en Antwerpen was tussen 1750 en 1752 de Franse verlichte journalist Jean Rousset de Missy (1686-1762) maçonniek bedrijvig. Zijn lijst van (o.m. maçonnieke) publicaties is ronduit indrukwekkend. Deze polygraaf was ongetwijfeld één van de markantste intellectuelen uit de Belgische (maar ook Nederlandse) Vrijmetselarij. Tijdens zijn verblijf in onze gewesten werkte hij onder meer als politiek informateur voor de (voltairiaanse) Graaf von Cobenzl, gevolmachtigd minister te Brussel.
Tussen 1749 en 1757 verbleef in de streek van Bergen en Doornik de bijzonder schrandere en belezen Louchier, Heer van Jéricho (1714-1759). Hij was afkomstig uit een magistratengeslacht. Hij werd lid van het stadsbestuur van Bergen en later van de Staten van Henegouwen. In 1749 richtte hij onder de Franse bezetting in Bergen een loge op.
Te Brussel was tussen 1758 en 1765 de vrij extravagante en geldverspillende Thomas Chambers Cecil (1728-1778) actief. Deze Tory-edelman, zoon van de graaf van Exeter, werd omwille van zijn financieel wangedrag door zijn familie in “vrijwillige ballingschap” naar het continent gestuurd. Uit die tijd dateert zijn eerste Brusselse “logeanimatie”.
In dat zelfde Bergen verbleef omstreeks 1764 François-Bonaventure du Mont, (kersvers) “Markies” de Gages (1739-1787). In 1757 liet hij zich inschrijven aan de Leuvense universiteit, maar compleet in beslag genomen door zijn ambities tot promotie binnen de adellijke hiërarchie, gaf hij zijn studies op. Geboren uit een Bergense kleinadellijke familie maakte hij op korte tijd een adellijke “blitzcarrière”. Eerst sleepte hij de markiestitel in de wacht, wist door te dringen tot de Brusselse hofadel (werd kamerheer), en bracht het vervolgens tot vertegenwoordiger van de adel in de Staten van Henegouwen.
Markies de Gages ambieerde het grootmeesterschap over een selecte (dus sociaal geëpureerde) Vrijmetselarij in de Oostenrijkse Nederlanden.
Hij debuteerde in zijn maçonnieke “carrière” als intimus van de Franse Grootmeester, Prins Bourbon-Condé, graaf van Clermont (1709-1771). Deze natuurlijke zoon van Lodewijk XIV trok zich terug in zijn Parijse private “Loge Royale” waar hij als geobsedeerd zondaar (één en al angst voor het Laatste Oordeel), een, bijna traditioneel katholieke, hoge gradenvrijmetselarij patroneerde met als topgraad die van het Rozenkruis. Hij benoemde de Gages tot “Provinciaal Grootmeester” van deze vrij exclusieve ritus in de Oostenrijkse Nederlanden.
Omstreeks 1766 introduceerde de Gages de Stuart-ritus in de Bergense loge “La Vraie et Parfaite Harmonie”.
Vier schilderachtige personages. Vier “duistere machten”? Vier regenten? Gezanten van Agartha?
Hoe reageert Rome op de opleving van de Tempelorde(n)? “De Soevereine Orde van de Zonnetempel” diende in 1973 en 1974 een verzoek tot erkenning in. De aanvragen bleven onbeantwoord. De Kerk erkent slechts de Orde van Malta en de Ridderorde van het Heilig Graf. Rome probeert krampachtig de invloed van de Tempelorde en de Vrijmetselarij te fnuiken.
In de loop van de geschiedenis is de initiatieke structuur echter doorgedrongen tot talloze religieuze orden en beroepsverenigingen.
Elke besloten groep houdt echter een gevaar in voor het grotere sociale verband waartoe zij behoort. Daarom stuit zij op vijandigheid of op het wantrouwen van niet-betrokken individuen. Elke groep moet immers noodgedwongen evolueren naar een steeds grotere coherentie; dit betekent ook dat zij toeneemt in sterkte en macht. Dit verklaart ook waarom machtbeluste individuen met steile ambities proberen om de Vrijmetselarij te infiltreren en haar geestelijke oriëntaties om te buigen naar particuliere doeleinden op politiek, religieus of individueel vlak. Dat was recent nog het geval in Italië met de zogezegde “loge” P.
De term “Vrijmetselarij” groepeert kleine initiatiegenootschappen die aan het einde van het Ancien Régime actief waren. De vrijmetselaars verenigden zich in “loges” en bij die gelegenheid namen zij mét de naam ook de vaktaal van de oude genootschappen van steenhouwers en bouwgezellen over. Op die basis hebben zich nog diverse andere invloeden van esoterische en initiatiegenootschappen geënt. Ik heb ze reeds genoemd: de alchemisten, Rozenkruisers, hermetisten, enz. Op haar beurt heeft de Vrijmetselarij gediend als inspiratiebron voor andere initiatiegenootschappen, zoals de talrijke recente tempeliersorden.
Eén ding staat evenwel vast: de speculatieve Vrijmetselarij is ontstaan in Groot-Brittannië; de eerste sporen dateren zelfs uit de 17de eeuw. Het heeft er de schijn van dat de speculatieve Vrijmetselarij teruggaat op de operatieve, maar een ander blijft hier onduidelijk. De Vrijmetselarij vond al snel haar weg naar het vasteland, een evolutie die versneld werd door de verbanning naar Frankrijk van de Stuarts. In alle geval is de Vrijmetselarij ontegensprekelijk aanwezig is in de eerste helft van de 18de eeuw.
Over de oorsprong van de oudste loges is zeer weinig geweten. Een oude traditie wilde namelijk dat elke vrijmetselaar niets losliet over wat er in zijn werkplaats gebeurde. En vermits het ook al verboden was om iets op schrift te stellen, bleek dit verbod zeer succesvol: schriftelijk bronnen die verder teruggaan dan de tweede helft van de 18de eeuw zijn bijzonder schaars.
Ook vandaag nog vinden zuiveringen, invocaties en bezweringen plaats tijdens aloude, magische rituelen. Deze theurgische handelingen grijpen plaats in verschillende locaties. De bedoeling is een superieure Geest op te roepen die de operant zal “merken” met een mystiek teken. “De operant krijgt een gevoel van kippenvel over het gehele lichaam. Zachte geluiden volgen, lichten en vonken verschijnen. Een astraal licht, een materieloos ‘lichtlichaam’ emaneert zich.”
Is dit autosuggestie? Bedrog? Vermoeidheidssymptomen? Of zijn dit intelligente (licht)signalen uit een transcendente realiteit? Is dit het fameuze “Astrale Licht” uit de westerse occulte literatuur? Zijn zij die wij als “Duistere machten” omschrijven, ingewijden in de graad van Réau-Croix, de God-Mens, de uitverkorene? Hij die het “Licht” heeft gezien? Wie weet het? Agartha.
Aan u te oordelen. Wat er ook van zij, het kan niet worden ontkend dat de Rooms-katholieke Kerk het gevaar loopt gedemystificeerd te worden. Het wordt de hoogste tijd dat theologen en exegeten weerwerk bieden. Of zit de schrik voor een confrontatie er nog te diep in?
Derek van ‘t Gulle Zand
August 6, 2010 - Door Grootmeester
Volgende ridder is onlangs tot de Orde toegetreden:
De Orde bestaat nu uit 72 ridders en jonkvrouwen!
August 4, 2010 - Door Derek van 't Gulle Zand Meester-Ridder van het Rozenscheermes
Geradbraakt, zeven estafettes
van Russia tot in de Highlands,
verscheen ridder Yvan aan de poort
van Koning Arthurs buitenverblijf.Schildwachten haalden de brug op,
paard en ruiter schreden het slot binnen,
binnenkoer op, laatste stuiptrekking.
Het schuimende paard verdween stalwaarts.Blote Yvan kreeg een koude douche
met droogbeurt door twee serveuses,
de trap op naar Arthurs verdieping.
Aan ‘t voeteinde wachtte Genovere.Arthur uithuizig bekommerde zij
zich toegewijd om de gasten. Met
nodige égards ontving ze hen
in de grote slaapkamer zoalsdat toen nog gebruikelijk was.
Yvan kende die gewoonte niet
en vroeg zich af wat mooie Genovere
in ‘t schild voerde. Hij deed een wens,voelde geilheid tot toren zwellen.
Genovere boog zich naar hem toe
en sprak op zachte wijze de woorden:
“U bent wel erg voorbarig, heer.”
Derek van ’t Gulle Zand
The Knights of the Razorblades is de eerste significante online-ridderorde. The Knights of the Razorblades streeft naar de totstandkoming van een netwerksamenleving met het internet als belangrijkste medium. De ingebakken flexibiliteit van het internet biedt de ridders ongekende voordelen in een omgeving gekenmerkt door constante verandering. Het internet is hun geprefereerd communicatiemiddel. Het maakt communicatie [...]
The Knights of the Razorblades is de eerste significante online-ridderorde. The Knights of the Razorblades streeft naar de totstandkoming van een netwerksamenleving met het internet als belangrijkste medium.
Recente Commentaren